Subscribe to Posts via:
Email
RSS

Een aantal maanden geleden kreeg ik de vraag of ik wist wanneer de blauwe regen, of Wisteria, populair werd in Nederland. De aanleiding was een praktische: bij de organisatie waar de vragensteller werkt, staat een oude blauwe regen aangeplant, en daar wilde men wel meer over weten.

Eerlijk gezegd had ik geen idee. Ik dacht direct aan de late 19de, begin 20ste eeuw, maar echte bewijzen vond ik er niet zo snel voor. Cottage-stijl, pergola, Wisteria, dat was ongeveer de gedachtegang.
Maar mijn interesse was gewekt, en mijn hopeloos verouderde versie van ‘Boom’ wist alleen te melden dat tussen 1816 en 1820 vanuit Azië verschillende soorten Wisteria in Engeland waren geïntroduceerd. 1)Dr B.K. Boom, Nederlandse Dendrologie (Wageningen 1982 -12de druk), p290. Dat zegt niets over Nederland en bovendien is met een introductie van een plant de populariteit nog niet bewerkstelligd. Dus ik was blij om in de loop van de jaren 1850 krantenberichten te vinden, waarin werd gemeld welke kwekers de grootst bloeiende Wisteria’s hadden gekweekt. Er werden zelfs prijzen uitgereikt. 2)De wedstrijden werden uitgeschreven door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot aanmoediging van den Tuinbouw. De hoofdprijs was een zilveren medaille. In 1856 won M.A.F.H. Hoffman.
Ik heb er geen studie van gemaakt, maar als er kwekerswedstrijden worden uitgeschreven, dan schijnt het mij toe dat een plant populair is, of men wil heel graag dat de plant populair wordt. Deze periode zou ook prima passen in de geschiedenis van de organisatie in kwestie.

1817 Glycine sinensisGlycine
Maar die krantenberichten meldden een alternatieve soortnaam, die me ook al bij Boom was opgevallen: Glycine. Deze oorspronkelijke soortnaam werd vanaf de vroege 19de eeuw geleidelijk aan vervangen door Wisteria, maar de oude naam bleef nog wel een tijd in gebruik -zoals dat gaat. Springer gebruikte de naam Glycine in 1919 nog in het beplantingsplan van villa De Beemd in Helmond. 3)Constance D.H. Moes, L.A. Springer. Tuinarchitect, dendroloog 1855-1940 (Rotterdam 2002), p290, als Glycine chinensis.

Even los van de populariteitsvraag, begon bij mij de vraag te rijzen wanneer de Wisteria nu eigenlijk voor het eerst in Nederland te zien was geweest.
Die zoektocht leidde verder terug dan ik in eerste instantie voor mogelijk hield.

Dat andere continent
Waar Boom zich richtte op de uit Azië afkomstige soorten (en waarom niet, onze historische banden met meerdere landen op dat continent zijn sterk), zijn er ook soorten Wisteria afkomstig uit Noord-Amerika. Er is hier sprake van andere historische banden, andere aanvoerroutes, maar aan beide voorwaarden wordt ook hier voldaan.
De hierboven weergegeven afbeelding komt uit Curtis’s Botanical magazine 4)Vol.46 (1817-1818); het gaat om plaat nummer 2083 en de twee pagina’s tekst met beschrijving erachter. De plant zou drie jaar voor verschijning zijn ingevoerd vanuit China, meegekomen op het schip van ene kapitein Welbank -geheel in lijn met wat Boom meldde. Op het moment van publicatie bevond de plant zich op een buiten genaamd Rooksnest Park, bij Godstone in Surrey. De eigenaar was Charles Hampden Turner, de tuinman die de plant in leven probeerde te houden luisterde naar de naam D. McLeod. en is een uit Azië afkomstige struik. Hij wordt in deze beschrijving Glycine Chinensis genoemd (Chinese Glycine), en duidelijk in dezelfde categorie geschaard als een reeds van Linnaeus bekende soort, de Glycine frutescens. Een vrijwel gelijktijdig verschenen Engelstalige bron schrijft over Glycine dat hij knobbed rooted liquorice heet, maar dat G. frutescens ook wel Carolina kidney-bean tree wordt genoemd. 5)George Gregory, A new and complete Dictionary of Arts and Sciences, vol. 2 (Philadelphia 1819), lemma Glycine.
Miller’s Dictionary uit 1754 noemt hem ook Glycine en ook hier met de Engelse naam knobbed rooted liquorice. In alle gevallen denk je dan in eerste instantie: daar kunnen ze geen Wisteria mee bedoelen. Maar als je de beschrijving uit 1819 leest, is het helder: we hebben het over dezelfde plant.

De Hortus Cliffortianum
Hoe zit dat dan in Nederland? De Nederlandse vertaling van Philip Millers Dictionary, verschenen in 1745, noemt hem niet. In de eerste catalogus van de kweker Jacobus Gans, uit 1771, staat de Glycine echter wel degelijk genoemd. 6)Naar verwachting verschijnt in het volgende nummer van het Cascade bulletin een artikel van mijn hand over deze kweker, zijn kwekerij en catalogi. Daarin betoog ik dat de niet gedateerde catalogus van Gans, tot nu toe alleen bekend uit het archief van Huis te Almelo, uit 1771 moet dateren (eigenlijk uit december 1770, maar die twee weken negeren we maar, aangezien Gans zelf later ook over zijn catalogus van 1771 spreekt). Gans verwijst voor de naamgeving in dit geval naar Linnaeus’ standaardwerk, in zijn woorden Species Plantarum, nouvelle Edition.
Maar bij de naam Linnaeus gaan in Nederland de gedachten direct uit naar De Hartekamp in Heemstede, de plantencollectie van George Clifford aldaar, en Linnaeus’ beschrijving van diens plantencollectie en herbarium in de Hortus Cliffortianum (uitgave 1738). En jawel: op pagina 361 staat hij daarin vermeld.

De Viridarium Cliffortianum
Nu is de Hortus Cliffortianum een overzicht van alle planten die in de tuin stonden, aangevuld met planten uit het zeer uitgebreide herbarium van George Clifford. De vraag die dan nog rest is: was er een levend exemplaar aanwezig, of had hij ‘slechts’ een herbarium-exemplaar?
Gelukkig is er de Viridarium Cliffortianum, een in 1737 verschenen en eveneens door Linnaeus opgestelde lijst van plantensoorten die daadwerkelijk in de tuin van Clifford groeiden. 7)Op 20 soorten na, zo schrijft hij in zijn voorwoord, want die waren inmiddels overleden… Ook daar staat hij in, op pagina 72, als Glycine radice tuberosa -daar zijn die ‘knobbelige wortels’ weer.

Tot slot
Dus de Glycine, ofwel blauwe regen, of Wisteria, was in 1737 in ieder geval fysiek in ons land aanwezig. Dan is de vraag: waar had Clifford deze vandaan, want hij ontving planten uit Noord-Amerika én Azië?
Of er daarna sprake is geweest van veelvuldig gebruik, zal uit onderzoek moeten blijken. Op een lijstje dat meer dan 40 jaar later werd opgesteld, bewaard in het archief van Huis te Almelo, staat hij in ieder geval vermeld: als nr 21, niet helemaal correct geschreven als Glicine, en voorzien van de fraaie Nederlandse naam Booneboom van Carolina. 8)Historisch Centrum Overijssel, Toegangsnummer 0214, Archief van Huis Almelo, inv.nr. 1519. Waarschijnlijk staat er Glicine frutescens Carolina, maar door de slechte staat waarin dit hele tere briefje verkeert, is dat niet met zekerheid te zeggen. De status van dit lijstje is onduidelijk. Is het een bestellijst, of een wensenlijst? Of is het om een andere reden opgesteld?
1779 Glicine Almelo

Detail van de achterzijde van een lijst met plantennamen in de collectie van Huis Almelo, gedateerd ‘1779’ op de voorkant. Op nr. 21 staat: Glicine [frutescens Carolina], Booneboom van Carolina. Photo: HvdE.

Waarschijnlijk kwam de naam blauwe regen pas toen de plant daadwerkelijk populair werd, mogelijk ook in combinatie met die andere populaire plant, de gouden regen. Het welluidende Booneboom van Carolina uit 1779 staat dan model voor (en tegelijkertijd in contrast tot) de tamelijk geruisloze introductie in ons land van wat later ontegenzeggelijk een mondaine plant zou worden.

Footnotes   [ + ]

1. Dr B.K. Boom, Nederlandse Dendrologie (Wageningen 1982 -12de druk), p290.
2. De wedstrijden werden uitgeschreven door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot aanmoediging van den Tuinbouw. De hoofdprijs was een zilveren medaille. In 1856 won M.A.F.H. Hoffman.
3. Constance D.H. Moes, L.A. Springer. Tuinarchitect, dendroloog 1855-1940 (Rotterdam 2002), p290, als Glycine chinensis.
4. Vol.46 (1817-1818); het gaat om plaat nummer 2083 en de twee pagina’s tekst met beschrijving erachter. De plant zou drie jaar voor verschijning zijn ingevoerd vanuit China, meegekomen op het schip van ene kapitein Welbank -geheel in lijn met wat Boom meldde. Op het moment van publicatie bevond de plant zich op een buiten genaamd Rooksnest Park, bij Godstone in Surrey. De eigenaar was Charles Hampden Turner, de tuinman die de plant in leven probeerde te houden luisterde naar de naam D. McLeod.
5. George Gregory, A new and complete Dictionary of Arts and Sciences, vol. 2 (Philadelphia 1819), lemma Glycine.
6. Naar verwachting verschijnt in het volgende nummer van het Cascade bulletin een artikel van mijn hand over deze kweker, zijn kwekerij en catalogi. Daarin betoog ik dat de niet gedateerde catalogus van Gans, tot nu toe alleen bekend uit het archief van Huis te Almelo, uit 1771 moet dateren (eigenlijk uit december 1770, maar die twee weken negeren we maar, aangezien Gans zelf later ook over zijn catalogus van 1771 spreekt).
7. Op 20 soorten na, zo schrijft hij in zijn voorwoord, want die waren inmiddels overleden…
8. Historisch Centrum Overijssel, Toegangsnummer 0214, Archief van Huis Almelo, inv.nr. 1519. Waarschijnlijk staat er Glicine frutescens Carolina, maar door de slechte staat waarin dit hele tere briefje verkeert, is dat niet met zekerheid te zeggen. De status van dit lijstje is onduidelijk. Is het een bestellijst, of een wensenlijst? Of is het om een andere reden opgesteld?
Summary

A question about the popularity of the Wisteria in The Netherlands, led me towards a search for the first occurence of that plant in the country. That search sent me back in time further than I expected: to 1737, George Clifford’s garden at De Hartekamp in Heemstede. Linnaeus’ publications about this garden mention the plant, under its original name Glycine.

2 Responses to “Van ‘Booneboom van Carolina’ tot mondaine plant: Wisteria”

  1. on 26 Apr 2015 at 10:38 amHvdE

    En als je dan rond 1870 in Washington woont, dus niet ver van de plaats waar de Wisteria/Glycine van nature voorkomt (Carolina, Virginia), dan plant je dus een Chinees exemplaar.
    Omdat het kan…

  2. on 27 Apr 2015 at 11:33 amHvdE

    Dit bericht is inmiddels een aantal keer aangepast, om meer links naar de gebruikte bronnen toe te voegen.

    De meest recente aanpassing is echter een link naar het lemma van Mari Aert Fréderic Henri Hoffman (1795-1874), die ik in voetnoot 2 als kweker identificeerde (Nieuw Nederlands biografisch woordenboek, via DBNL).
    Hij was Rotterdams notabele, lid van zowel de Eerste als van de Tweede Kamer en eigenaar van de buitenplaats Heldenburg in Voorburg. Na het overlijden van zijn vrouw Cornelia Adriana Groen van Prinsterer, kwam ook het Voorburgse buiten Vreugd en Rust in zijn bezit.

    De winnende Wisteria zal wel door zijn tuinbaas zijn gekweekt, vermoed ik.

Leave a Reply