Het temmen van Woestduin

‘Wat was het mooi geweest als die Wageningers in de jaren tachtig het archief van de familie Ten Hove hadden bezocht.’ Deze gedachte bekroop me terwijl ik verleden jaar de kasboeken van David ten Hove doornam. Hij was onder meer eigenaar van de hofstede Woestduin bij Vogelenzang.1Hij erfde in 1756 de buitenplaats Rhijnauwen bij Utrecht van zijn vader, Woestduin in 1763/4 via zijn moeder en hij erfde De Nes, of Nesserak (destijds een buitenplaats op een eiland in de rivier de Vecht, ook wel Realeneiland genoemd) in 1768 uit de nalatenschap van de moeder van zijn eerste vrouw. Er zijn geen aanwijzingen dat Snoek voor Ten Hove werk op Rhijnauwen heeft verricht. Snoek werkte wel op De Nes, dat door Ten Hove werd opgeknapt ten behoeve van zijn dochter. Woestduin is een nog steeds bestaande buitenplaats waarvan het grondgebied nu in eigendom is van enkele particulieren en Landschap Noord-Holland.3Landschap Noord-Holland lijkt hun deel van Woestduin nu samengetrokken te hebben met de buurman, buitenplaats Leyduin, en het gebied als een geheel te beschouwen. Vinkenduin completeert het drietal buitenplaatsen dat nu onder de noemer Leyduin wordt gerangschikt. Tot mijn verbazing was blijkbaar nog niemand op het idee gekomen om Ten Hove’s kasboeken te gebruiken om meer te weten te komen over de aanleg van Woestduin. De toekomstvisie van betreffende Wageningers haalt verder echter een behoorlijk compleet bronnenoverzicht aan en ook inhoudelijk bevat het weinig missers.2Anneke Coops, Monique Hootsmans en Jeroen Vandeursen, Leyduin, Vinkenduin, Woestduin: een visie op de toekomstige ontwikkeling van drie buitenplaatsen in Zuid-Kennemerland, Wageningen 1985. Uit de inventaris van het archief van de familie Ten Hove wordt bovendien niet duidelijk of men destijds van het bestaan ervan op de hoogte kon zijn geweest.4Nationaal Archief, Inventaris van het archief van de familie Ten Hove (1589-1791), Den Haag (z.j.), p10. Dus schreef ik nu maar een artikel over dit grote park in de Kennemerduinen.5Henk van der Eijk, ‘Het park van Woestduin, een achttiende-eeuwse creatie van Adriaan Snoek en Hendrik Horsman’, in: Cascade bulletin voor tuinhistorie 28 (2019), nummer 2, p37-55. In mijn artikel noem ik Monique Hootsmans overigens foutief Houtmans, excuses daarvoor. Ik zou graag autocorrect de schuld willen geven (en dat doe ik dan ook).

Adriaan Snoek en Woestduin

Landmeter en tuinontwerper Adriaan Snoek en het park van Woestduin zijn in de tuinhistorische literatuur al bijna een halve eeuw met elkaar verbonden middels een bewaard gebleven ontwerp van Snoek uit 1766. Dat ontwerp is nooit uitgevoerd. Om die reden was het lang de vraag of Snoek wel op goede gronden met de aanleg van het park in verband kon worden gebracht. Had men het archief van David ten Hove eerder doorgenomen, was dat niet zo lang een vraag gebleven.

We denken dat bovenstaand ontwerp uit 1766 niet is uitgevoerd omdat het vrijwel geen overeenkomsten vertoont met een circa 25 jaar later gemaakte plattegrond van Woestduin. Waarschijnlijk klopt dat ook. Maar uit mijn onderzoek blijkt dat Snoek al sinds 1754 betrokken was bij diverse uitbreidingen van het terrein naast de oorspronkelijke buitenplaats, die zouden leiden tot het grondgebied dat op het ontwerp zichtbaar is. Snoek was hier tot 1765 werkzaam in zijn hoedanigheid als landmeter: het uitzetten van de nieuwe grenzen en het bepalen van de oppervlakte.

Na het terzijde geschoven ontwerp werd Snoek in 1768 betaald voor heel concreet werk: ‘het maken van een kom in het duin’. Nevenstaande ontwerptekening kan aan Snoek worden toegeschreven. Het ten zuiden van de kom gelegen uitzichtpunt, met de twee lange opgangen, hoorde waarschijnlijk bij deze zelfde opdracht. Ook het verder vlakke terrein in de omgeving van dit uitzichtpunt kan aan Snoek worden toegeschreven: hij werd immers betaald om het zuidelijke deel van het terrein te ‘planeeren’. Snoek kreeg in vier termijnen 3050 gulden voor zijn rol in de aanleg.6Volgens de conversietool van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) zou dat omgerekend naar 2016 ruim ƒ68,000,- zijn geweest, of € 30.980,74.

De kom van Snoek is wel terug te vinden op de circa 1790 gemaakte plattegrond van Woestduin. Ondanks de aanleg in 1901 van een paardenrenbaan, is een groot deel van de kom nog steeds zichtbaar in het terrein. De afbeelding links is een weergave van een detail van de kaart van Woestduin uit circa 1790, waar een laag van de huidige situatie op basis van LIDAR-gegevens van de AHN3 (Actueel Hoogtebestand Nederland) overheen is geprojecteerd. De kom van Adriaan Snoek is zichtbaar in blauw, de verhoogd aangelegde renbaan is de lichtgroene band die van linksboven naar rechtsonder door de kom snijdt. De in rood weergegeven heuvel met drie opgangen staat op geen enkel bekend ontwerp van Snoek weergegeven. Hij werd op een gegeven moment wel betaald voor de aanleg van een ‘terras’, maar of dit heuveltje daarmee bedoeld kan zijn, is de vraag.

Hendrik Horsman, de grote onbekende

Naast Snoek verdiende ene Hendrik Horsman flink aan Woestduin, hij kreeg zelfs 3500 gulden in deze periode.7In 2016 zou dat omgerekend ruim ƒ78.500,- zijn geweest, of € 35.621,79. Dit gebeurde in 1766, nadat Snoek in 1765 voor de noordwestelijke uitbreiding van het terrein had getekend, maar vóór zijn ontwerp van de kom. Horsman werd betaald voor het leveren van plantmateriaal, maar vooral voor het aanleggen van de noordelijke laan. Deze verving de oude, bestaande routes door de duinen, reden waarom Ten Hove bedragen schonk aan de armen van zowel Vogelenzang als van Overveen, gemeenschappen die door de omlegging werden geraakt. De thans zeer onregelmatige laan is een vrijwel ongebruikte route in het landschap van drie aaneengesloten landgoederen. In hun toekomstvisie uit 1985 kenden Coops en Hootsmans juist een belangrijke rol toe aan deze laan, door hen als een van de verbindende routes door het gebied aangemerkt.8Zie Coops (op.cit.), resp. een losse kaart in Deel III, Bijlage 8, Kaartbijlagen en in Deel I de Plantoelichting, waarin deze laan ‘een belangrijk onderdeel van de hoofdstruktuur’ wordt genoemd (p110). Ik vind dat nog steeds een goed idee, hoewel de verlegging van de looproute naar deze laan wel voor iets meer verstoring in het naastgelegen gebied zou zorgen. Dat zijn afwegingen die Landschap Noord-Holland moet meenemen in hun beleid en inrichting van het gebied. In ieder geval verdient de laan als historisch element en restant van de oorspronkelijke aanleg van het park duidelijk meer aandacht.

Over Hendrik Horsman zelf bestaan nog veel onduidelijkheden. Naast plantenleverancier en laanmaker lijkt hij Ten Hove ook regelmatig diens ‘Actens der Jagt’ te hebben bezorgd. Na 1778 kwam hij in de kasboeken niet meer voor, wat een direct gevolg lijkt te zijn geweest van zijn overlijden. In december 1778 was de Ridderschap van Holland op zoek naar een opvolger voor Hendrik Horsman als bode ‘van de Abdijen van Rijnsburg en Leeuwenhorst in Westland en Delfland’.9Horsman was per 1 januari 1740 door de Ridderschap als bode aangesteld en werd op 25 november 1778 als kinderloze 70-jarige begraven in de Grote Kerk in Den Haag. Horsman had de taken behorende bij deze functie al vroeg overgedragen aan een plaatsvervanger, en lijkt zich vooral te hebben beziggehouden met ontginningen van duingronden en onderzoeken van waterstaatkundige aard. Vooral zijn werk uit 1773 betreffende ontginningen in de Grafellijkheidsduinen bij Den Haag kreeg bekendheid: het werd na zijn dood met instemming aangehaald door Adriaan Pieter Twent, in diens verhandeling over ontginning van de duinen op Raaphorst.10In 1800 schreef A.P. Twent over het (be)planten van duingronden in/op Raaphorst. Hij vond pas na het schrijven daarvan het stuk van Horsman, dat hij dermate goede adviezen vond bevatten, dat hij het achter zijn eigen stuk mee heeft laten drukken: ‘Concept door Hendrik Horsman, om in Graaflijkheidszeeduinen eenige bekwaame plaatsen aanteleggen tot Koornland en Houtgewas’ (p97 en verder). Aangezien de grond waarop het park van Woestduin was aangelegd – voor Ten Hove ze in erfpacht nam – ook tot de Grafellijkheidsduinen behoorde, moet de betrokkenheid van Horsman waarschijnlijk vooral in dat licht worden bezien: het temmen van de woeste duinen.

Footnotes   [ + ]

1. Hij erfde in 1756 de buitenplaats Rhijnauwen bij Utrecht van zijn vader, Woestduin in 1763/4 via zijn moeder en hij erfde De Nes, of Nesserak (destijds een buitenplaats op een eiland in de rivier de Vecht, ook wel Realeneiland genoemd) in 1768 uit de nalatenschap van de moeder van zijn eerste vrouw. Er zijn geen aanwijzingen dat Snoek voor Ten Hove werk op Rhijnauwen heeft verricht. Snoek werkte wel op De Nes, dat door Ten Hove werd opgeknapt ten behoeve van zijn dochter.
2. Anneke Coops, Monique Hootsmans en Jeroen Vandeursen, Leyduin, Vinkenduin, Woestduin: een visie op de toekomstige ontwikkeling van drie buitenplaatsen in Zuid-Kennemerland, Wageningen 1985.
3. Landschap Noord-Holland lijkt hun deel van Woestduin nu samengetrokken te hebben met de buurman, buitenplaats Leyduin, en het gebied als een geheel te beschouwen. Vinkenduin completeert het drietal buitenplaatsen dat nu onder de noemer Leyduin wordt gerangschikt.
4. Nationaal Archief, Inventaris van het archief van de familie Ten Hove (1589-1791), Den Haag (z.j.), p10.
5. Henk van der Eijk, ‘Het park van Woestduin, een achttiende-eeuwse creatie van Adriaan Snoek en Hendrik Horsman’, in: Cascade bulletin voor tuinhistorie 28 (2019), nummer 2, p37-55. In mijn artikel noem ik Monique Hootsmans overigens foutief Houtmans, excuses daarvoor. Ik zou graag autocorrect de schuld willen geven (en dat doe ik dan ook).
6. Volgens de conversietool van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) zou dat omgerekend naar 2016 ruim ƒ68,000,- zijn geweest, of € 30.980,74.
7. In 2016 zou dat omgerekend ruim ƒ78.500,- zijn geweest, of € 35.621,79.
8. Zie Coops (op.cit.), resp. een losse kaart in Deel III, Bijlage 8, Kaartbijlagen en in Deel I de Plantoelichting, waarin deze laan ‘een belangrijk onderdeel van de hoofdstruktuur’ wordt genoemd (p110).
9. Horsman was per 1 januari 1740 door de Ridderschap als bode aangesteld en werd op 25 november 1778 als kinderloze 70-jarige begraven in de Grote Kerk in Den Haag.
10. In 1800 schreef A.P. Twent over het (be)planten van duingronden in/op Raaphorst. Hij vond pas na het schrijven daarvan het stuk van Horsman, dat hij dermate goede adviezen vond bevatten, dat hij het achter zijn eigen stuk mee heeft laten drukken: ‘Concept door Hendrik Horsman, om in Graaflijkheidszeeduinen eenige bekwaame plaatsen aanteleggen tot Koornland en Houtgewas’ (p97 en verder).
Summary

Consensus has always been that a 1766 design for Woestduin by Adriaan Snoek was never realised. While that is probably true, new research into the owner’s financial records shows considerable involvement of Snoek in the layout of this park. As a surveyor, Snoek played an important role for two consecutive owners when they expanded the park to its current size. His name can also be attached to specific parts of the layout. Some of his work is still visible today, even after the creation of a racecourse (for horses) on this site in the early twentieth century.

Continue reading

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *