Subscribe to Posts via:
Email
RSS

c1820 HtD Wilhelm TellIn het park van Huys ten Donck stond ooit een tuingebouw, dat wel werd aangeduid als ‘het huisje van Wilhelm Tell’. De bouwdatum ervan is niet bekend, volgens Tromp ‘waarschijnlijk van ca. 1800.’  1)H.M.J. Tromp, De Nederlandse Landschapsstijl in de Achttiende Eeuw (Leiden 2012), p348.
Het is inmiddels verdwenen, maar gelukkig is er wel een afbeelding van. Op een anoniem schilderij uit ca. 1820 staat het in de verte als klein detail afgebeeld.

In het archief van Huys ten Donck wordt een tekening bewaard van de Tellskapelle, zoals hij aan de oever van de Vierwaldstättersee staat (destijds ook ‘meer van Lucerne’ genoemd). 2)Stadsarchief Rotterdam (SAR), Toegang 30, inv.nr. 122. Volgens de inventaris dateert de tekening van 1815, maar dat moet uit de context zijn gebleken: op de tekening zelf is van een datering geen spoor. De tekening staat ook afgebeeld in: I. Thoen, Het Huys ten Donck en de familie Groeninx van Zoelen (Rotterdam 2006), p85. In het bijschrift wordt de tekening toegeschreven aan Jacoba Elisabeth Groeninx van Zoelen, maar dat was een jong overleden zus van Otto Paulus. Deze tekening werd gemaakt door Elisabeth Cornelie Groeninx van Zoelen, een in 1818 op 20-jarige leeftijd overleden dochter van Otto Paulus Groeninx van Zoelen. De overeenkomsten met de echte Tellskapelle zijn groot. 3)De huidige kapel is gebouwd in 1879, maar een foto, gepubliceerd in of voor 1870, toont aan dat de kapel niet wezenlijk van uiterlijk is veranderd.
Otto Paulus Groeninx van Zoelen reisde met zijn hele familie tussen 11 april 1810 en 23 juni 1812 door Europa, en verbleef volgens zijn opgave 150 dagen in Geneve. 4)SAR, Toegang 30, inv.nr. 84. Hoewel dat aan een ander meer ligt, kan Elisabeth (‘Betsy’) deze tekening dus ter plaatse gemaakt hebben. 5)Nader onderzoek in de behoorlijke hoeveelheid aan correspondentie die uit deze periode bewaard is gebleven, kan daar uitsluitsel over geven.
Er zou wel een schilderij van de legende van Tell in het huisje hebben gehangen (zie noot 10). Mogelijk stond de kapel daarop afgebeeld, en is deze tekening niet ‘naar het leven’ gemaakt.

BetsY_Tell

Tellskapelle, tekening door Elisabeth Cornelie Groeninx van Zoelen, c1815? (Foto: Stadsarchief Rotterdam)

Het ‘Capelleke Buyten’
Maar moet de datering van dat huisje dan richting 1815 worden verschoven? Continue Reading »

Footnotes   [ + ]

1. H.M.J. Tromp, De Nederlandse Landschapsstijl in de Achttiende Eeuw (Leiden 2012), p348.
2. Stadsarchief Rotterdam (SAR), Toegang 30, inv.nr. 122. Volgens de inventaris dateert de tekening van 1815, maar dat moet uit de context zijn gebleken: op de tekening zelf is van een datering geen spoor. De tekening staat ook afgebeeld in: I. Thoen, Het Huys ten Donck en de familie Groeninx van Zoelen (Rotterdam 2006), p85. In het bijschrift wordt de tekening toegeschreven aan Jacoba Elisabeth Groeninx van Zoelen, maar dat was een jong overleden zus van Otto Paulus.
3. De huidige kapel is gebouwd in 1879, maar een foto, gepubliceerd in of voor 1870, toont aan dat de kapel niet wezenlijk van uiterlijk is veranderd.
4. SAR, Toegang 30, inv.nr. 84.
5. Nader onderzoek in de behoorlijke hoeveelheid aan correspondentie die uit deze periode bewaard is gebleven, kan daar uitsluitsel over geven.
Er zou wel een schilderij van de legende van Tell in het huisje hebben gehangen (zie noot 10). Mogelijk stond de kapel daarop afgebeeld, en is deze tekening niet ‘naar het leven’ gemaakt.
Summary

At Huys ten Donck, the building date of a now lost garden pavilion resembling Wilhelm Tell’s ‘kapelle’ on the rocky shores of the Vierwaldstättersee in Switzerland, was unknown. The estimate was that it was built circa 1800, although the layout of the garden it sat in, is known to have taken place in 1792.
One document in the house archive -a hand written version of the legend of Wilhelm Tell- mentions that this pavilion had just been built. This document is dated 29 September 1792. Earlier that year, a carpenter was paid ƒ219,- for his work on the ‘Capelleke Buyten’.
Both documents confirm that the pavilion was built simultaneously with the creation of this new layout of the garden (the ‘nieuwe werk’).

Met deze termen adverteerde de Haarlemse kweker Jacobus Gans in november 1770. 1)Advertenties in de Oprechte Haerlemsche courant, 24 november 1770, p2; Oprechte Haerlemsche courant, 27 november 1770, p2. Als dat de interesse van de lezers nog niet had gewekt, dan wel Gans’ suggestie dat hij de Amerikaanse en Engelse bomen, struiken, planten en zaden -want daar ging het om- zelf in Londen was gaan halen. Het aan het Engels ontleende taalgebruik is mogelijk een aanwijzing dat dit type planten of beplanting in Nederland nog geen gemeengoed was.

17701124_OHCp2

Advertentie van Jacobus Gans uit de Oprechte Haerlemsche courant, 24 november 1770. Klik op de afbeelding om naar de bron (Delpher) te gaan.

Van belang voor mijn zojuist verschenen artikel 2)Van der Eijk, H.; ‘Harde en Evergreene Heester Trees, Shrobbs. De catalogi en kwekerij van de achttiende-eeuwse kweker Jacobus Gans.’, in: Cascade 24 (2015), nr 1, p.9-33. over Gans, was dat hij meldde in’t kort de gedrukte Lysten van deze planten te kunnen leveren. Binnen een maand, op 13 december 1770, adverteerde hij dat die lijsten klaar waren en bij hem konden worden opgevraagd. 3)Advertenties in de Oprechte Haerlemsche courant, 13 december 1770, p2; Oprechte Haerlemsche courant, 15 december 1770, p2.

Catalogi
Van Jacobus Gans (1737-na oktober 1796) zijn twee catalogi bekend, waarvan één gedateerd met het jaartal 1780. Het enig bekende exemplaar daarvan bevindt zich in de British Library, in een convoluut dat door Joseph Banks is samengesteld. 4)British Library, reference number B.168.(.2). In deze catalogus is een Voorberight opgenomen, waarin Gans een eerste catalogus uit 1771 noemt.
De andere catalogus is echter niet gedateerd. Voorheen werd de publicatiedatum iets vroeger dan 1780 geschat. Deze catalogus wordt namelijk in het archief van Huis Almelo bewaard, samen met een handgeschreven lijstje waarop het jaartal 1779 staat. Dus werd er de datering ‘vóór 1779?’ aan gehangen. Later, in 2012, werd de datering op basis van op dat moment bekende advertenties teruggeschroefd tot ‘circa 1775’. 5)H.M.J. Tromp, De Nederlandse Landschapsstijl in de Achttiende Eeuw (Leiden 2012), p55.

Ik besprak de advertenties uit 1770 met collega Arinda van der Does, die mij prompt op het bestaan van een andere ongedateerde catalogus van Gans wees, in het archief van de huizen Waardenburg en Neerijnen. Althans: de titelpagina was anders, voor de rest was de catalogus identiek aan de reeds bekende versie. Het meest in het oog springende verschil zat hem in de (op die titelpagina aangeven) vestigingsplaatsen van Gans: Haarlem op de nieuwe; Hillegom en Haarlem op de reeds bekende catalogus.
Gans kocht in de loop van 1771 onder andere de buitenplaats Duin en Weg in Hillegom en vestigde zijn kwekerij daar begin 1772. 6)Duin en Weg bestaat niet meer, het lijkt tussen 1815 en 1830 te zijn afgebroken. Een groot deel van de kwekerij van Gans lag overigens ten noorden van het dorp, ten zuiden van de Pastoorslaan. Die verhuizing maakt het, in combinatie met de gegevens op de titelbladen, mogelijk deze ongedateerde catalogus te identificeren als de door Gans genoemde catalogus van 1771. De door Arinda van der Does gevonden versie (Haarlem) is dan iets ouder dan de versie die we reeds kenden (Hillegom en Haarlem).

Naar alle waarschijnlijkheid gaat het inhoudelijk in beide gevallen om de Lysten waarmee Gans halverwege december 1770 adverteerde, maar dat is niet helemaal met zekerheid vast te stellen.

Rotterdam
De eerste buitenplaatseigenaar waarvan tot nu toe bekend is dat hij bij Gans kocht, is Cornelis Groeninx van Zoelen (1740-1791), eigenaar van Huys ten Donck bij Ridderkerk. Uit een kwitantie in het archief blijkt dat Gans hem op 4 augustus 1771 een breed laef magnolia leverde (weer dat ‘Engels’: broad leaf, bedoelde hij waarschijnlijk).

NL-RtSA_30_1332_x1

Kwitantie van Jacobus Gans uit het archief van Huys ten Donck, betaald 21 februari 1772. Photo: Stadsarchief Rotterdam.

Groeninx van Zoelen behoorde tot de rijkste regentenfamilies van Rotterdam en was ten tijde van deze aankoop al enige jaren bezig met een landschappelijke aanleg. In 1769 liet hij een Engels bosje aanleggen bij Huys ten Donck, in november 1769 betaalde hij de Leidse kweker Valkenburg voor geleverde planten 7)Tromp, op.cit, meldt op p233 de werkzaamheden aan dit bosje; de betaling aan Valkenburg komt uit het kasboek van Huys ten Donck (Stadsarchief Rotterdam, toegangsnummer 30, Archief van het Huys ten Donck, inv.nr. 63, kasboeknotitie dd 22 november 1769: aan Valkenburg te Leyde voor boome. Ik schreef al eerder over de magnolia die hij in het voorjaar van 1771 bij diezelfde kweker had gekocht. Het lijkt bijzonder dat Groeninx van Zoelen een paar maanden later opeens naar een andere kweker overstapte om een zelfde soort boom te kopen. Maar zo bijzonder hoeft dat niet te zijn (nog afgezien van het feit dat Groeninx van Zoelen zelf wel uitmaakte waar hij zijn waren kocht :-)).

Uit mijn onderzoek blijkt dat Gans in 1770 een negotie was aangegaan met een Rotterdamse ondernemer die we in de tuinhistorische wereld nog niet kennen: Bastiaan Molewater (1734-1780). Molewater zat op dat moment samen met Groeninx van Zoelen in het bestuur van een Rotterdamse assurantiemaatschappij, maar hij bezat voor zover bekend zelf geen tuin van betekenis. Desondanks financierde hij tussen 1770 en 1780 iedere stap die Gans zette.

Uiteindelijk blijkt dat het verschijnen van zowel de eerste (1770/71) als de tweede catalogus van Gans (1780) direct samenhing met het wel en wee van deze geldschieter. Of het hier ging om een eenvoudige zakendeal, of om het opzetten van iets dat alleen maar een horticultureel mecenaat kan worden genoemd, wordt echter niet duidelijk. Voor beide partijen liep het in ieder geval desastreus af.

Leest het Cascade Bulletin! (En ook deze Cascade weblog, waar in de commentaren extra en soms nieuwe informatie wordt gegeven.)

Footnotes   [ + ]

1. Advertenties in de Oprechte Haerlemsche courant, 24 november 1770, p2; Oprechte Haerlemsche courant, 27 november 1770, p2.
2. Van der Eijk, H.; ‘Harde en Evergreene Heester Trees, Shrobbs. De catalogi en kwekerij van de achttiende-eeuwse kweker Jacobus Gans.’, in: Cascade 24 (2015), nr 1, p.9-33.
3. Advertenties in de Oprechte Haerlemsche courant, 13 december 1770, p2; Oprechte Haerlemsche courant, 15 december 1770, p2.
4. British Library, reference number B.168.(.2).
5. H.M.J. Tromp, De Nederlandse Landschapsstijl in de Achttiende Eeuw (Leiden 2012), p55.
6. Duin en Weg bestaat niet meer, het lijkt tussen 1815 en 1830 te zijn afgebroken. Een groot deel van de kwekerij van Gans lag overigens ten noorden van het dorp, ten zuiden van de Pastoorslaan.
7. Tromp, op.cit, meldt op p233 de werkzaamheden aan dit bosje; de betaling aan Valkenburg komt uit het kasboek van Huys ten Donck (Stadsarchief Rotterdam, toegangsnummer 30, Archief van het Huys ten Donck, inv.nr. 63, kasboeknotitie dd 22 november 1769: aan Valkenburg te Leyde voor boome.
Summary

Published: my piece about the 18th century nurseryman Jacobus Gans, whose bold move from Haarlem to Hillegom (and his purchase of an estate there in 1771), is now explained. His formerly unknown partnership with Rotterdam merchant Bastiaan Molewater (1734-1780) played a deciding role in the rise and fall of his nursery.
The move itself makes it possible to put a date on Gans’ undated catalogues, especially because an unknown version has come to light, on which his sole address is still in Haarlem only.

Gans had ‘English’ and ‘American’ plants for sale, and mentioned that he had gone to England himself to collect them there. His use of ‘English’ terms when advertising the sales catalogue of these plants (see the advert and the title of this post), shows that no proper Dutch vocabulary was available (yet) for this type of planting material.

Onlangs vond ik een fraaie rekening in het archief van Huys ten Donck. De rekening dateert van 23 april 1771, is afkomstig van de Leidse kwekersfirma Van Hazen Valkenburg & Comp en betreft de levering van twee bomen op 4 maart van dat jaar. 1)Stadsarchief Rotterdam, Toegang 30, Archief van het Huys ten Donck te Ridderkerk, inv.nr. 1331 [kwitanties betaald in het jaar 1771]. De naam van Groeninx van Zoelen ontbreekt, en de betaling komt ook niet voor in het kasboek van Huys ten Donck. Toch lijkt het feit dat deze in een dikke stapel kwitanties uit hetzelfde jaar in het archief van Huys ten Donck wordt bewaard voldoende aanleiding te denken dat het een levering tbv Huys ten Donck was. De firma was er geen onbekende: in november 1769 werd ‘Valkenburg te Leyde’ al betaald voor een levering van bomen -dit keer wel een kasboekvermelding, helaas geen rekening of kwitantie. Het gaat om een magnolia en een rode ceder (‘Cupressus virg fol acacia deciduis’). 3)De huidige naam is Juniperus virginiana. Philip Miller noemt hem Cupressus Virgininia, foliis acaciæ deciduis in de 1754 versie van zijn Gardeners Dictionary, vrijwel identiek aan deze rekening. John Evelyn noemde hem overigens ook al zo in zijn ‘Sylva’ (1664), de Engelse naam is daar ‘The deciduous cypres’. Die bomen lijken bijna bijzaak, vergeleken met de ruimte die is ingeruimd voor een beschrijving van de juiste methode om één van hen, de magnolia (‘no 4 de notre catalogue’), te planten. 2)De firma Van Hazen Valkenburg had verschillende catalogi in omloop in deze tijd, ik ben er nog niet achter naar welke catalogus deze vermelding verwijst -en dus ook niet om welke magnolia het precies gaat.

Dat advies is te mooi en bijzonder om voor mezelf te houden:

(…), maar de magnolia moet uEgs; met pot en al soo in de gront laaten setten en laten hem een of twee jaar soo staan dan kunt uEgs de pot in de gront laten stuk slaan dan twiffele niet of sullen alle beijde heel wel groijen, (…)

Plantadvies 1771

Beide bomen werden in pot geleverd, wat voor het vervoer lastig moet zijn geweest. Het voornaamste verschil in plantmethode van de ‘Cupres’ en de magnolia was dat de laatste met pot en al moest worden geplant. Deze bomen behoorden in deze tijd tot de duurste exemplaren die men kon kopen -op deze rekening alleen al is te zien dat de magnolia met een prijs van 12 gulden vier keer zo duur is als de ceder. En aan dat prijskaartje hing blijkbaar ook nog het risico dat de plant mogelijkerwijs helemaal niet zou aanslaan wanneer hij niet volgens instructie was geplant.

De Nederlandse vertaling van Philip Miller’s Gardeners Dictionary, uit 1745, volgt de oorspronkelijke tekst op dit gebied. Daar is het advies weliswaar om de bomen de eerste een of twee jaar (na het zaaien!) in een pot te planten, opdat de tere jonge planten wanneer nodig ook weer makkelijk op een beschutte plaats gezet konden worden. Maar uiteindelijk moesten zij toch uit de pot genomen worden en in de volle grond geplant. 4)Groot en algemeen kruidkundig woordenboek, etc. (Leiden 1745), p524.

Uit het advies blijkt dat een magnolia een speciale behandeling behoefde. Blijkbaar waren de ervaringen met deze bomen niet altijd positief geweest. Groeninx van Zoelen had in 1769 een ‘Engels bosje’ aan laten leggen, mogelijk kende hij uit eigen ervaring de gevolgen van het op onjuiste wijze planten van magnolia’s.
In ieder geval waren de inzichten veranderd in de 25 jaar na het verschijnen van Millers boek. Of er ook risico’s waren verbonden aan het na twee jaar in de grond stukslaan van de pot, vermeld het verhaal niet.

Footnotes   [ + ]

1. Stadsarchief Rotterdam, Toegang 30, Archief van het Huys ten Donck te Ridderkerk, inv.nr. 1331 [kwitanties betaald in het jaar 1771]. De naam van Groeninx van Zoelen ontbreekt, en de betaling komt ook niet voor in het kasboek van Huys ten Donck. Toch lijkt het feit dat deze in een dikke stapel kwitanties uit hetzelfde jaar in het archief van Huys ten Donck wordt bewaard voldoende aanleiding te denken dat het een levering tbv Huys ten Donck was. De firma was er geen onbekende: in november 1769 werd ‘Valkenburg te Leyde’ al betaald voor een levering van bomen -dit keer wel een kasboekvermelding, helaas geen rekening of kwitantie.
2. De firma Van Hazen Valkenburg had verschillende catalogi in omloop in deze tijd, ik ben er nog niet achter naar welke catalogus deze vermelding verwijst -en dus ook niet om welke magnolia het precies gaat.
3. De huidige naam is Juniperus virginiana. Philip Miller noemt hem Cupressus Virgininia, foliis acaciæ deciduis in de 1754 versie van zijn Gardeners Dictionary, vrijwel identiek aan deze rekening. John Evelyn noemde hem overigens ook al zo in zijn ‘Sylva’ (1664), de Engelse naam is daar ‘The deciduous cypres’.
4. Groot en algemeen kruidkundig woordenboek, etc. (Leiden 1745), p524.
Summary

A bill concerning the delivery of two trees in 1771 for Huys ten Donck reveals a specific method for the planting of magnolias. They had to be planted in the pot they were delivered in. After one or two years this pot should then be broken, while in the ground.

Philip Miller originally suggested to keep the plant in pots for the first two years (after sowing), so the tender young plants could be brought in when necessary during those first years. After that, they went into the ground, pot-less.

Apparently the succes rate of newly planted magnolias had been below expectation. Magnolias ranked under the most expensive garden plants of the time, so losing one of those was a costly and frustrating affair. Twenty-five years after the Dutch translation of Miller’s work was published, their planting method in the Netherlands had changed -probably as a result of that.

The recent discovery of a whale in the middle of a 17th century Dutch painting in the collection of the Fitzwilliam Museum in Cambridge, made me think of the following.

Schelluinderberg in 2013The small village where I grew up is home to a lovely 16th century ‘hunting lodge’ in the so-called Dutch renaissance style. During my childhood, the owners were known as the family of a former captain of the last Dutch whaling factory ship, the Willem Barendsz. Two items in the garden refer to that: a rather conspicuous deck mounted harpoon launcher, pointed away from the house; and a garden arch formed by two jaw bones of a Continue Reading »

Summary

De walvisbank die ooit in de tuin van Groenendaal in Heemstede stond, was een van de bekendste uit kaakbeenderen van walvissen opgebouwde tuinornamenten. Als datering wordt het begin van de 19de eeuw aangehouden, op het moment dat Adriaan Elias Hope eigenaar was van zowel Bosbeek als Groenendaal.
In de late jaren 1780 zien we aanwijzingen voor een hechte band tussen de moeder van Adriaan Elias Hope, de uit Rotterdam afkomstige Philippina Barbara van der Hoeven, en de eveneens in Rotterdam gevestigde familie Groeninx van Zoelen. Die laatsten kopen tussen twee bezoeken aan Bosbeek in, 6 walviskaakbeenderen.
Hier wordt de vraag gesteld of die beenderen misschien voor Bosbeek bedoeld waren?

Tegenwoordig vinden we de enige nu nog resterende gebouwen en interieurs van de destijds in Rotterdam gevestigde architect Giovanni (Jan) Giudici (1746-1819) in Zoetermeer, Schiedam en Leiden. 1)Zie voor een kort overzicht van leven en werk van deze architect het altijd betrouwbare wikipedia; voor onder meer een uitgebreide literatuurverwijzing is dit overzicht van het RKD uitstekend geschikt. In die laatste stad werkte de Rotterdamse Italiaan aan enkele gebouwen, nadat zij was getroffen door de kruitramp van 1807. In zijn woonplaats is echter niets van de architectuur en interieurs van Giudici bewaard gebleven. 2)Al voor de oorlog was veel van zijn werk in Rotterdam verdwenen of onherkenbaar veranderd, zie dr E. Wiersum, ‘De architect Jan Giudici, 1746-1819’, in Rotterdams Jaarboek (1934), p29-41.
Nog bestaande bouwwerken: in Zoetermeer ontwierp hij de Oude Kerk; in Schiedam zijn het huidige Stedelijk Museum Schiedam en het woonhuis voor Cornelis Nolet (Lange Haven 65) van zijn hand (de Korenbeurs wordt ook wel genoemd, maar hoewel de bouw ervan sterk is beïnvloed door Giudici’s ontwerp en plannen, is het uiteindelijke gebouw een ontwerp van stadsarchitect Rutger van Bol’es -zie Geert Medema, Achter de façade van de Hollandse stad. Het stedelijk bouwbedrijf in de achttiende eeuw, Nijmegen/Utrecht, 2011, p168-169 en p278-280.); in Leiden werkte hij aan het interieur van de St. Lodewijkskerk.

Gisteren was het precies 74 jaar geleden dat de paar toen nog bestaande Rotterdamse gebouwen van zijn hand werden vernietigd, als gevolg van een variant op het type onheil dat hem in Leiden het werken juist mogelijk maakte: het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940. Dit maakt vandaag misschien een goede dag om in ieder geval één tot nu toe onbekend gebleven werk aan het repertoire van deze architect toe te voegen.

Geheel in lijn met het bovenstaande betreft het een ruïne.

Giudici's ruin at Huys ten Donck

Onbekend is het werk zelf niet. De ruïne in het park van Huys ten Donck bij Ridderkerk kennen we natuurlijk al heel lang. 3)Monumentenregister: 46826. Is het niet uit eigen waarneming, dan is het wel vanwege de met enige regelmaat gereproduceerde glasschildering (c1780) van Jonas Zeuner:

HtD_Zeuner

Een bouwjaar was echter nog niet bekend, de bouwer/ontwerper ook niet. Het archief van Huys ten Donck, dat wordt bewaard in het Stadsarchief Rotterdam, blijkt dit ‘geheim’ al zo’n kleine 240 jaar te herbergen.
1779_HtD_drawingofruinHier bevinden zich twee aan Cornelis Groeninx van Zoelen (1740-1791) gerichte rekeningen, waarop rechtstreeks naar het ontwerp en de bouw van de ruïne wordt verwezen. 4)Stadsarchief Rotterdam, toegang 30, Archief van het Huis ten Donck te Ridderkerk, inventarisnummer 1339. Het gaat hier om een stapel losse rekeningen en kwitanties, ongeveer 10 cm hoog en vergelijkbaar met deze stapel, met alle bewaard gebleven exemplaren die zijn betaald in 1779. Eén van deze rekeningen is niet gedateerd, de ander gelukkig wel. De ongedateerde bevat een serie uiteenlopende werkzaamheden, afkomstig van Giudici alleen, waarbij hij als ontwerper op de voorgrond treedt. De rekening maakt onder meer melding van werkzaamheden door Giudici aan het ontwerpen en bouwen van het tuingebouwtje:

Eene plan Teekening gemaekt voor Eene Ruine op Zijn Edele buiten Plaets Tendonk, en verdere ordonnantie op de plaats selve om te laeten Executeeren

De tweede is gelukkig wel gedateerd en behelst stucwerkzaamheden verricht in 1777 en 1778 door de firma P. Castoldi en J. Giudici Comp. 5)De rekening is op 12 februari 1779 geïnd door ‘Piter Castaldo‘. Waarschijnlijk gaat het hier om Pietro Castoldi (1739-1794) een eveneens Italiaanse stucwerker die in Rotterdam werkzaam was. In het monumentenregister van Huys ten Donck wordt stucwerk van zijn hand vermeld. Deze rekening geeft een precieze datum voor werk aan de ruïne:

do [= ’23 augusti 1777′ -HvdE] op den donck gewerk aan de gabinet genaam Rouina en vaas in de Bufet

17790212_HtD_Castoldi_GiudiciDeze gedateerde rekening vermeldt expliciet dat het om stucadoorswerk gaat: ‘wegens geleverde stucador werk, gedaan aan ué huis in de stat en op den Donck‘. De ruïne was dus voorzien van stucwerk, en ik verwacht dat dit als finishing touch werd aangebracht. Dat betekent dat het bouwwerk zelf op 23 augustus 1777 verder klaar was, en dat het ontwerp waarschijnlijk in het eerste half jaar van 1777 is gemaakt.

C. G. F. Giudici (1746-1819)
Carlo Giovanni Francesco Giudici, zoals hij volledig heette, werd geboren in Dolzago, een rond zijn geboorte circa 350 zielen tellend dorpje tussen Milaan en de ten noorden ervan gelegen meren Lago di Como en Lago di Lecco. Over de omstandigheden waarin hij opgroeide, of over zijn opleiding, weten we niets. Het verhaal wil dat hij rond 1770 uit Italië in Rotterdam aankwam, met niets méér aan bezittingen dan een plank met vier voorbeelden van pleisterwerk; dat was blijkbaar zijn portfolio als rondreizend stucco-artiest. Ook door Groeninx van Zoelen werd hij ingeschakeld om stucplafonds te ontwerpen(?) en aan te brengen, dat laatste gebeurde op dezelfde dag waarop aan de ruïne werd gewerkt. 6)den 23 augusti 1777 Twee Camers plafone gestucadert groot saame de somma van 576 Vierkante Voetten a 3 sturs de Voet ƒ86-8-0‘. Alleen is niet duidelijk of het hier om plafonds in de stad gaat, of op Huys ten Donck -de rekening betreft stucadoorswerk op beide locaties. Maar het feit dat zowel de plafonds als de ruïne op dezelfde dag werden gedaan, doet vermoeden dat het om plafonds op Huys ten Donck ging.
Aan architectuurhistorici de taak om te bepalen welke plafonds dat zouden kunnen zijn geweest -als dat nog mogelijk is. Mijn indruk is dat een van die plafonds wel eens dat van de eetzaal zou kunnen zijn. In het monumentenregister (46816) staat wel dat er stucwerk van Pietro Castoldi aanwezig is, maar de eventuele ontwerper van een of meerdere plafonds wordt niet vermeld.

Maar hij is vooral bekend geworden als architect. Al in 1774 nam Giudici deel aan een prijsvraag voor een nieuw stadhuis in Groningen. 7)Zie Wiersum 1934, p30. Medema 2011 meldt dit ook op p172 en tegenover p177 staan enkele architectuurontwerpen van Giudici afgebeeld. Ten tijde van de bouw van de ruïne op Huys ten Donck ontwierp Giudici tevens een schoorsteenmantel voor de eetzaal aldaar, dezelfde eetzaal waarvoor hij ook nog andere werkzaamheden uitvoerde. Daarnaast ontwierp hij een bed en twee ‘penant spiegels‘ voor het stadshuis van Cornelis Groeninx van Zoelen.
Het tot op heden wél bekende werk deed hij in de navolgende jaren. In 1778 kreeg hij de opdracht om het interieur van de Rotterdamse St. Rosaliakerk te ontwerpen. 8)Wiersum 1934, p39-41. Het ging om een Rooms-Katholieke schuilkerk, waarvan het exterieur dus vrij onaanzienlijk was. Wiersum toont foto’s van zowel buiten als binnen. Kort hierop volgde een project voor een nieuw stadhuis in Rotterdam. 9)Medema 2011, p256 ev.
Zijn carrière nam vanaf 1784 een hoge vlucht toen hij in Rotterdam de opdracht kreeg om aan het Admiraliteitsgebouw te werken, terwijl hij vrijwel tegelijkertijd betrokken raakte bij bouwprojecten in Schiedam. De Rotterdamse opdracht leverde hem vanaf 1786 de positie van opzichter van de gebouwen en werken van de Admiraliteit op de Maze op. Deze prestigieuze baan wist hij halverwege de 1790-er jaren uit te breiden naar Zeeland. Vervolgens was hij samen met Abraham van der Hart een van de weinige architecten die onder Lodewijk Napoleon hun positie behielden. 10)Zie onder meer Medema 2011, waarin op enkele opdrachten nader wordt ingegaan. Zijn werkzaamheden in Leiden zijn al genoemd.

De ruïne in het park van Huys ten Donck
Maar dit werk volgde vrijwel allemaal op het ontwerpen en bouwen van de ruïne op Huys ten Donck in 1777.
Cornelis Groeninx van Zoelen was sinds de jaren zestig van de achttiende eeuw bezig met een landschappelijke aanleg van de tuin bij Huys ten Donck. In die tuinen werden ruïnes vaak gebruikt als sierelement, al dan niet beladen met een diepere betekenis. Als bron voor deze specifieke ruïne wordt in de literatuur naar Engeland gekeken, vooral naar de Engelse tuinen die afgebeeld staan in de Cahiers van Le Rouge. Ook wordt een tempel in Kew Gardens aangehaald. Dat laatste is een mogelijke inspiratiebron, want Groeninx verbleef in 1772 klaarblijkelijk in Engeland. 11)Heimerick M.J. Tromp, De Nederlandse landschapsstijl in de achttiende eeuw, Leiden 2012, p231-234.

Maar Cornelis Groeninx van Zoelen heeft misschien als volgt geredeneerd: die tempels en ruïnes in Engelse tuinen zijn vooral geïnspireerd op Italiaanse voorbeelden, waarom zou ik mijn eigen ‘Italiaanse’ ruïne in mijn eigen ‘Engelse’ park niet door een Italiaanse architect laten ontwerpen? En terecht, want de onder architectuur gebouwde ruïne staat er bijna 237 jaar later nog steeds. Veel meer dan een gevel is het niet, er achter gaat een houten berghok schuil.

Tot besluit
Als gevolg van mijn speurwerk -ik zocht als gewoonlijk weer iets heel anders- zijn vanaf nu in ieder geval het bouwjaar en de ontwerper van de ruïne in het park van Huys ten Donck bekend. De kers op de taart zou zijn als we erachter komen hoe het stucwerk op de ruïne er precies uitzag. Achteraf gezien is de ruïne op de verre eglomisé van Jonas Zeuner natuurlijk opvallend licht gekleurd. We hadden kunnen weten dat het geen grotendeels bakstenen geveltje was dat daar aan de overkant van de vijver tussen de donkere naaldbomen staat te schitteren.
Het zou helemaal mooi zijn als deze nieuwe kennis ertoe zou kunnen bijdragen dat het dak van het berghok aan de achterkant van de ruïne wordt dichtgemaakt, zodat dat eigenaardige dekzeil kan worden verwijderd. Een 18de eeuwse ruïne verdient een beter lot. Een ruïne van Giovanni (Jan) Giudici al helemaal.

Footnotes   [ + ]

1. Zie voor een kort overzicht van leven en werk van deze architect het altijd betrouwbare wikipedia; voor onder meer een uitgebreide literatuurverwijzing is dit overzicht van het RKD uitstekend geschikt.
2. Al voor de oorlog was veel van zijn werk in Rotterdam verdwenen of onherkenbaar veranderd, zie dr E. Wiersum, ‘De architect Jan Giudici, 1746-1819’, in Rotterdams Jaarboek (1934), p29-41.
Nog bestaande bouwwerken: in Zoetermeer ontwierp hij de Oude Kerk; in Schiedam zijn het huidige Stedelijk Museum Schiedam en het woonhuis voor Cornelis Nolet (Lange Haven 65) van zijn hand (de Korenbeurs wordt ook wel genoemd, maar hoewel de bouw ervan sterk is beïnvloed door Giudici’s ontwerp en plannen, is het uiteindelijke gebouw een ontwerp van stadsarchitect Rutger van Bol’es -zie Geert Medema, Achter de façade van de Hollandse stad. Het stedelijk bouwbedrijf in de achttiende eeuw, Nijmegen/Utrecht, 2011, p168-169 en p278-280.); in Leiden werkte hij aan het interieur van de St. Lodewijkskerk.
3. Monumentenregister: 46826.
4. Stadsarchief Rotterdam, toegang 30, Archief van het Huis ten Donck te Ridderkerk, inventarisnummer 1339. Het gaat hier om een stapel losse rekeningen en kwitanties, ongeveer 10 cm hoog en vergelijkbaar met deze stapel, met alle bewaard gebleven exemplaren die zijn betaald in 1779.
5. De rekening is op 12 februari 1779 geïnd door ‘Piter Castaldo‘. Waarschijnlijk gaat het hier om Pietro Castoldi (1739-1794) een eveneens Italiaanse stucwerker die in Rotterdam werkzaam was. In het monumentenregister van Huys ten Donck wordt stucwerk van zijn hand vermeld.
6. den 23 augusti 1777 Twee Camers plafone gestucadert groot saame de somma van 576 Vierkante Voetten a 3 sturs de Voet ƒ86-8-0‘. Alleen is niet duidelijk of het hier om plafonds in de stad gaat, of op Huys ten Donck -de rekening betreft stucadoorswerk op beide locaties. Maar het feit dat zowel de plafonds als de ruïne op dezelfde dag werden gedaan, doet vermoeden dat het om plafonds op Huys ten Donck ging.
Aan architectuurhistorici de taak om te bepalen welke plafonds dat zouden kunnen zijn geweest -als dat nog mogelijk is. Mijn indruk is dat een van die plafonds wel eens dat van de eetzaal zou kunnen zijn. In het monumentenregister (46816) staat wel dat er stucwerk van Pietro Castoldi aanwezig is, maar de eventuele ontwerper van een of meerdere plafonds wordt niet vermeld.
7. Zie Wiersum 1934, p30. Medema 2011 meldt dit ook op p172 en tegenover p177 staan enkele architectuurontwerpen van Giudici afgebeeld.
8. Wiersum 1934, p39-41. Het ging om een Rooms-Katholieke schuilkerk, waarvan het exterieur dus vrij onaanzienlijk was. Wiersum toont foto’s van zowel buiten als binnen.
9. Medema 2011, p256 ev.
10. Zie onder meer Medema 2011, waarin op enkele opdrachten nader wordt ingegaan.
11. Heimerick M.J. Tromp, De Nederlandse landschapsstijl in de achttiende eeuw, Leiden 2012, p231-234.
Summary

The designer and builder of the ruin in the park of Huys ten Donck, near Ridderkerk, has been discovered. Two bills -which I found last week in the Rotterdam Municipal Archives, or Stadsarchief Rotterdam– reveal the identity of the architect as the Rotterdam-based Italian Giovanni (Jan) Giudici (1746-1819). The title of this post is a direct quote from one of these bills mentioning the work, in Dutch mixed with Italian influences.
That bill also leads to the conclusion that the ruin, now basically a screen of brick and stone, was originally covered in plaster when it was built in 1777.

This find adds at least one item to this architect’s portfolio, whose legacy was so hard hit by the 15 minute bombing of Rotterdam by German forces on May 14, 1940. This tragedy all but devastated the inner city, including what was left there of the architect’s work.
Luckily some of his work done outside that city can still be seen. We now know that part of his legacy is at Huys ten Donck near Ridderkerk. The house itself may contain more of his work, these same bills reveal. Architectural historians can chew on that piece of information.

Swimming in the garden

Sport and recreation have always been an important part of bigger gardens and garden culture. Playing bowls, cricket, croquet, tennis, going out boating on the pond, even winter ‘games’ took place in the (larger) garden area.
All activities mentioned above come with their own set of materials or equipment to be able to recreate. The proper environment had also to be there: a pond for the boating, or a purpose-built lawn for the bowls game -the bowling green. Cricketers may have been less fussy about the quality of the grass than bowlers, provided it was kept short and there was enough space to bat (and catch) the ball.

Here I refer to an example of a type of recreation that is less obvious in a garden, and apparently doesn’t necessarily need any equipment at all: swimming. Huys ten Donck sloot zwemmenAt Huys ten Donck, it seems, the only thing they needed in 1766 was a ditch. This note was made in relation to swimming in june 1766 (click the image to enlarge). It is in Dutch, of course, and roughly translates as: “and 2 barges of sand for the ditch mylord swims in”. 1)Stadsarchief Rotterdam, toegang 30 (archief Huys ten Donck), inv.nr. 1326. The note was written by head servant Pieter de Vos, listing costs made from March 1766 onwards (“rekenijng van de arrebeijders”). The reference to swimming is listed under June (“ijunius”) and reads: “nog 2 schute zant voer de sloot daer mijnheer in zwemt 0-12-0”.

The sand was probably used to keep the water from getting murky, as smaller soil particles would have been whirled up by ‘mylord’ Cornelis Groeninx van Zoelen’s swimming movements. The sand should have also kept waterplants from growing in the designated swimming water.
Cornelis Groeninx van Zoelen (1740-1791) was at the time in the process of changing the layout of his garden, at least partly laying out the garden in the landscape style in 1769. It is unclear whether that particular part of the redesigning process had already started in 1766. 2)Heimerick M.J. Tromp, De Nederlandse Landschapsstijl in de Achttiende Eeuw (Leiden 2012), p233.

Of course, there are developments here as well, too far and wide to be described here. The swimming area was often accompanied by a bath house, even during the time of Huys ten Donck‘s simple solution.
But also later on, as this example shows: follow this link to find a photo of the old swimming pool at De Wildenborch, near Vorden, in the east of the country. This part of the garden dates back to the 1930s, according to the description of the garden in the national register of monuments. This swimming pool or ‘petit canal’ may have been a former ditch, transformed into a rectangular swimming pool with a simple structure at one end, containing two dressing rooms. Even a simple structure like that does not seem to have been present at Huys ten Donck in 1766 -at least: no description of a bath house or similar structure has survived.

Footnotes   [ + ]

1. Stadsarchief Rotterdam, toegang 30 (archief Huys ten Donck), inv.nr. 1326. The note was written by head servant Pieter de Vos, listing costs made from March 1766 onwards (“rekenijng van de arrebeijders”). The reference to swimming is listed under June (“ijunius”) and reads: “nog 2 schute zant voer de sloot daer mijnheer in zwemt 0-12-0”.
2. Heimerick M.J. Tromp, De Nederlandse Landschapsstijl in de Achttiende Eeuw (Leiden 2012), p233.
Summary

An easily overlooked reference from 1766 indicates that the owner of Huys ten Donck (Ridderkerk) liked to swim in a ditch in his garden. No evidence of a bath house or similar structure has survived.