Subscribe to Posts via:
Email
RSS

The recent discovery of a whale in the middle of a 17th century Dutch painting in the collection of the Fitzwilliam Museum in Cambridge, made me think of the following.

Schelluinderberg in 2013The small village where I grew up is home to a lovely 16th century ‘hunting lodge’ in the so-called Dutch renaissance style. During my childhood, the owners were known as the family of a former captain of the last Dutch whaling factory ship, the Willem Barendsz. Two items in the garden refer to that: a rather conspicuous deck mounted harpoon launcher, pointed away from the house; and a garden arch formed by two jaw bones of a Continue Reading »

Summary

De walvisbank die ooit in de tuin van Groenendaal in Heemstede stond, was een van de bekendste uit kaakbeenderen van walvissen opgebouwde tuinornamenten. Als datering wordt het begin van de 19de eeuw aangehouden, op het moment dat Adriaan Elias Hope eigenaar was van zowel Bosbeek als Groenendaal.
In de late jaren 1780 zien we aanwijzingen voor een hechte band tussen de moeder van Adriaan Elias Hope, de uit Rotterdam afkomstige Philippina Barbara van der Hoeven, en de eveneens in Rotterdam gevestigde familie Groeninx van Zoelen. Die laatsten kopen tussen twee bezoeken aan Bosbeek in, 6 walviskaakbeenderen.
Hier wordt de vraag gesteld of die beenderen misschien voor Bosbeek bedoeld waren?

Tegenwoordig vinden we de enige nu nog resterende gebouwen en interieurs van de destijds in Rotterdam gevestigde architect Giovanni (Jan) Giudici (1746-1819) in Zoetermeer, Schiedam en Leiden.1 In die laatste stad werkte de Rotterdamse Italiaan aan enkele gebouwen, nadat zij was getroffen door de kruitramp van 1807. In zijn woonplaats is echter niets van de architectuur en interieurs van Giudici bewaard gebleven.2
Gisteren was het precies 74 jaar geleden dat de paar toen nog bestaande Rotterdamse gebouwen van zijn hand werden vernietigd, als gevolg van een variant op het type onheil dat hem in Leiden het werken juist mogelijk maakte: het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940. Dit maakt vandaag misschien een goede dag om in ieder geval één tot nu toe onbekend gebleven werk aan het repertoire van deze architect toe te voegen.

Geheel in lijn met het bovenstaande betreft het een ruïne.

Giudici's ruin at Huys ten Donck

Onbekend is het werk zelf niet. De ruïne in het park van Huys ten Donck bij Ridderkerk kennen we natuurlijk al heel lang.3 Is het niet uit eigen waarneming, dan is het wel vanwege de met enige regelmaat gereproduceerde glasschildering (c1780) van Jonas Zeuner:

HtD_Zeuner

Een bouwjaar was echter nog niet bekend, de bouwer/ontwerper ook niet. Het archief van Huys ten Donck, dat wordt bewaard in het Stadsarchief Rotterdam, blijkt dit ‘geheim’ al zo’n kleine 240 jaar te herbergen.
1779_HtD_drawingofruinHier bevinden zich twee aan Cornelis Groeninx van Zoelen (1740-1791) gerichte rekeningen, waarop rechtstreeks naar het ontwerp en de bouw van de ruïne wordt verwezen.4 Eén van deze rekeningen is niet gedateerd, de ander gelukkig wel. De ongedateerde bevat een serie uiteenlopende werkzaamheden, afkomstig van Giudici alleen, waarbij hij als ontwerper op de voorgrond treedt. De rekening maakt onder meer melding van werkzaamheden door Giudici aan het ontwerpen en bouwen van het tuingebouwtje:

Eene plan Teekening gemaekt voor Eene Ruine op Zijn Edele buiten Plaets Tendonk, en verdere ordonnantie op de plaats selve om te laeten Executeeren

De tweede is gelukkig wel gedateerd en behelst stucwerkzaamheden verricht in 1777 en 1778 door de firma P. Castoldi en J. Giudici Comp.5 Deze rekening geeft een precieze datum voor werk aan de ruïne:

do [= '23 augusti 1777' -HvdE] op den donck gewerk aan de gabinet genaam Rouina en vaas in de Bufet

17790212_HtD_Castoldi_GiudiciDeze gedateerde rekening vermeldt expliciet dat het om stucadoorswerk gaat: ‘wegens geleverde stucador werk, gedaan aan ué huis in de stat en op den Donck‘. De ruïne was dus voorzien van stucwerk, en ik verwacht dat dit als finishing touch werd aangebracht. Dat betekent dat het bouwwerk zelf op 23 augustus 1777 verder klaar was, en dat het ontwerp waarschijnlijk in het eerste half jaar van 1777 is gemaakt.

C. G. F. Giudici (1746-1819)
Carlo Giovanni Francesco Giudici, zoals hij volledig heette, werd geboren in Dolzago, een rond zijn geboorte circa 350 zielen tellend dorpje tussen Milaan en de ten noorden ervan gelegen meren Lago di Como en Lago di Lecco. Over de omstandigheden waarin hij opgroeide, of over zijn opleiding, weten we niets. Het verhaal wil dat hij rond 1770 uit Italië in Rotterdam aankwam, met niets méér aan bezittingen dan een plank met vier voorbeelden van pleisterwerk; dat was blijkbaar zijn portfolio als rondreizend stucco-artiest. Ook door Groeninx van Zoelen werd hij ingeschakeld om stucplafonds te ontwerpen(?) en aan te brengen, dat laatste gebeurde op dezelfde dag waarop aan de ruïne werd gewerkt.6
Maar hij is vooral bekend geworden als architect. Al in 1774 nam Giudici deel aan een prijsvraag voor een nieuw stadhuis in Groningen.7 Ten tijde van de bouw van de ruïne op Huys ten Donck ontwierp Giudici tevens een schoorsteenmantel voor de eetzaal aldaar, dezelfde eetzaal waarvoor hij ook nog andere werkzaamheden uitvoerde. Daarnaast ontwierp hij een bed en twee ‘penant spiegels‘ voor het stadshuis van Cornelis Groeninx van Zoelen.
Het tot op heden wél bekende werk deed hij in de navolgende jaren. In 1778 kreeg hij de opdracht om het interieur van de Rotterdamse St. Rosaliakerk te ontwerpen.8 Kort hierop volgde een project voor een nieuw stadhuis in Rotterdam.9
Zijn carrière nam vanaf 1784 een hoge vlucht toen hij in Rotterdam de opdracht kreeg om aan het Admiraliteitsgebouw te werken, terwijl hij vrijwel tegelijkertijd betrokken raakte bij bouwprojecten in Schiedam. De Rotterdamse opdracht leverde hem vanaf 1786 de positie van opzichter van de gebouwen en werken van de Admiraliteit op de Maze op. Deze prestigieuze baan wist hij halverwege de 1790-er jaren uit te breiden naar Zeeland. Vervolgens was hij samen met Abraham van der Hart een van de weinige architecten die onder Lodewijk Napoleon hun positie behielden.10 Zijn werkzaamheden in Leiden zijn al genoemd.

De ruïne in het park van Huys ten Donck
Maar dit werk volgde vrijwel allemaal op het ontwerpen en bouwen van de ruïne op Huys ten Donck in 1777.
Cornelis Groeninx van Zoelen was sinds de jaren zestig van de achttiende eeuw bezig met een landschappelijke aanleg van de tuin bij Huys ten Donck. In die tuinen werden ruïnes vaak gebruikt als sierelement, al dan niet beladen met een diepere betekenis. Als bron voor deze specifieke ruïne wordt in de literatuur naar Engeland gekeken, vooral naar de Engelse tuinen die afgebeeld staan in de Cahiers van Le Rouge. Ook wordt een tempel in Kew Gardens aangehaald. Dat laatste is een mogelijke inspiratiebron, want Groeninx verbleef in 1772 klaarblijkelijk in Engeland.11

Maar Cornelis Groeninx van Zoelen heeft misschien als volgt geredeneerd: die tempels en ruïnes in Engelse tuinen zijn vooral geïnspireerd op Italiaanse voorbeelden, waarom zou ik mijn eigen ‘Italiaanse’ ruïne in mijn eigen ‘Engelse’ park niet door een Italiaanse architect laten ontwerpen? En terecht, want de onder architectuur gebouwde ruïne staat er bijna 237 jaar later nog steeds. Veel meer dan een gevel is het niet, er achter gaat een houten berghok schuil.

Tot besluit
Als gevolg van mijn speurwerk -ik zocht als gewoonlijk weer iets heel anders- zijn vanaf nu in ieder geval het bouwjaar en de ontwerper van de ruïne in het park van Huys ten Donck bekend. De kers op de taart zou zijn als we erachter komen hoe het stucwerk op de ruïne er precies uitzag. Achteraf gezien is de ruïne op de verre eglomisé van Jonas Zeuner natuurlijk opvallend licht gekleurd. We hadden kunnen weten dat het geen grotendeels bakstenen geveltje was dat daar aan de overkant van de vijver tussen de donkere naaldbomen staat te schitteren.
Het zou helemaal mooi zijn als deze nieuwe kennis ertoe zou kunnen bijdragen dat het dak van het berghok aan de achterkant van de ruïne wordt dichtgemaakt, zodat dat eigenaardige dekzeil kan worden verwijderd. Een 18de eeuwse ruïne verdient een beter lot. Een ruïne van Giovanni (Jan) Giudici al helemaal.


  1. Zie voor een kort overzicht van leven en werk van deze architect het altijd betrouwbare wikipedia; voor onder meer een uitgebreide literatuurverwijzing is dit overzicht van het RKD uitstekend geschikt. [back]
  2. Al voor de oorlog was veel van zijn werk in Rotterdam verdwenen of onherkenbaar veranderd, zie dr E. Wiersum, ‘De architect Jan Giudici, 1746-1819′, in Rotterdams Jaarboek (1934), p29-41.
    Nog bestaande bouwwerken: in Zoetermeer ontwierp hij de Oude Kerk; in Schiedam zijn het huidige Stedelijk Museum Schiedam en het woonhuis voor Cornelis Nolet (Lange Haven 65) van zijn hand (de Korenbeurs wordt ook wel genoemd, maar hoewel de bouw ervan sterk is beïnvloed door Giudici’s ontwerp en plannen, is het uiteindelijke gebouw een ontwerp van stadsarchitect Rutger van Bol’es -zie Geert Medema, Achter de façade van de Hollandse stad. Het stedelijk bouwbedrijf in de achttiende eeuw, Nijmegen/Utrecht, 2011, p168-169 en p278-280.); in Leiden werkte hij aan het interieur van de St. Lodewijkskerk. [back]
  3. Monumentenregister: 46826. [back]
  4. Stadsarchief Rotterdam, toegang 30, Archief van het Huis ten Donck te Ridderkerk, inventarisnummer 1339. Het gaat hier om een stapel losse rekeningen en kwitanties, ongeveer 10 cm hoog en vergelijkbaar met deze stapel, met alle bewaard gebleven exemplaren die zijn betaald in 1779. [back]
  5. De rekening is op 12 februari 1779 geïnd door ‘Piter Castaldo‘. Waarschijnlijk gaat het hier om Pietro Castoldi (1739-1794) een eveneens Italiaanse stucwerker die in Rotterdam werkzaam was. In het monumentenregister van Huys ten Donck wordt stucwerk van zijn hand vermeld. [back]
  6. den 23 augusti 1777 Twee Camers plafone gestucadert groot saame de somma van 576 Vierkante Voetten a 3 sturs de Voet ƒ86-8-0‘. Alleen is niet duidelijk of het hier om plafonds in de stad gaat, of op Huys ten Donck -de rekening betreft stucadoorswerk op beide locaties. Maar het feit dat zowel de plafonds als de ruïne op dezelfde dag werden gedaan, doet vermoeden dat het om plafonds op Huys ten Donck ging.
    Aan architectuurhistorici de taak om te bepalen welke plafonds dat zouden kunnen zijn geweest -als dat nog mogelijk is. Mijn indruk is dat een van die plafonds wel eens dat van de eetzaal zou kunnen zijn. In het monumentenregister (46816) staat wel dat er stucwerk van Pietro Castoldi aanwezig is, maar de eventuele ontwerper van een of meerdere plafonds wordt niet vermeld. [back]
  7. Zie Wiersum 1934, p30. Medema 2011 meldt dit ook op p172 en tegenover p177 staan enkele architectuurontwerpen van Giudici afgebeeld. [back]
  8. Wiersum 1934, p39-41. Het ging om een Rooms-Katholieke schuilkerk, waarvan het exterieur dus vrij onaanzienlijk was. Wiersum toont foto’s van zowel buiten als binnen. [back]
  9. Medema 2011, p256 ev. [back]
  10. Zie onder meer Medema 2011, waarin op enkele opdrachten nader wordt ingegaan. [back]
  11. Heimerick M.J. Tromp, De Nederlandse landschapsstijl in de achttiende eeuw, Leiden 2012, p231-234. [back]
Summary

The designer and builder of the ruin in the park of Huys ten Donck, near Ridderkerk, has been discovered. Two bills -which I found last week in the Rotterdam Municipal Archives, or Stadsarchief Rotterdam- reveal the identity of the architect as the Rotterdam-based Italian Giovanni (Jan) Giudici (1746-1819). The title of this post is a direct quote from one of these bills mentioning the work, in Dutch mixed with Italian influences.
That bill also leads to the conclusion that the ruin, now basically a screen of brick and stone, was originally covered in plaster when it was built in 1777.

This find adds at least one item to this architect’s portfolio, whose legacy was so hard hit by the 15 minute bombing of Rotterdam by German forces on May 14, 1940. This tragedy all but devastated the inner city, including what was left there of the architect’s work.
Luckily some of his work done outside that city can still be seen. We now know that part of his legacy is at Huys ten Donck near Ridderkerk. The house itself may contain more of his work, these same bills reveal. Architectural historians can chew on that piece of information.

Two months ago I stood in front of this:

 

Max Liebermann, Der Garten des Künstlers, 1918

Max Liebermann, Der Garten des Künstlers (1918). Image Niedersächsisches Landesmuseum.

It was framed, of course, and hung fairly low against the red (if memory serves) backdrop of a wall at the Niedersächsisches Landesmuseum in Hannover.
The painting is one of  a series that artist Max Liebermann made of views in his own garden. This one looks back at the house, depicting the small ‘grove’ of birch trees that Liebermann left untouched while designing his garden.

An avenue in the Berliner Tiergarten. Photo HvdE, May 2012.I was immediately reminded of a similar use of trees in the path, not too far from this garden, in the Berliner Tiergarten. Here the paths are avenues and the trees oaks, but the idea is the same. The trees -probably planted post WW2- function as traffic breakers for cyclists in the park. But like the birches at the Liebermann Villa, they also block the view ahead as one is using the path. And they look like they have been spared during the layout of the path/avenue.

 

I know of no other examples of this form of planting, but that must be me: surely this can’t be a regional thing, bound to south-west Berlin?

 

PS:
The so-called ‘Hecken Garten’ (Hedge Garden) in the garden of the Liebermann Villa, is fully restored. That design was inspired by Alfred Lichtwark, the director of the Hamburger Kunsthalle and friend of Max Liebermann. Previously the restoration of that garden could not be completed because part of it was used as a path and not owned by the museum. Apparently that situation is resolved. The opening of this part of the garden is on May 11, 2014.

Ever Ssince the Herrenhauser Schloss was bombed in 1943 (and consubsequently burnt to the ground), the question what should come in its place has been on people’s mind in the north-German city of Hannover.1 Several plans for Herrenhausen had been developed since, ranging from ‘mere’ landscaping solutions (make the outlines of the lost building visible by planting), to sometimes wild new buildings plans (one of which we’ll see later on).
It took over 60 years before the combination of having a feasible building plan and necessary funding came together. It was the VolkswagenStiftung, a private foundation located in Hannover, who presented the plan that was finally accepted and executed. A video of the build (narrated in German) can be seen here.

The open space, left by the lost building, was just a lawn until the summer of 2009.  Continue Reading »


  1. The original Schloss had been a late 17th century structure, which was mostly upgraded on the outside circa 1820, after designs by Georg Friedrich Ludwig Laves (1788-1864), possibly in preparation of a royal visit. The royal visit of George IV in 1821 was the first visit by the Hanoverian kings since George II last visited in 1755; George III never visited Hannover. George IV never visited again after 1821. See: Bernd Adam, Das Herrenhauser Schloss und die historischen Gartenpavillons’, in: Marieanne von König (Hrsg.), Herrenhausen. Die Königlichen Gärten in Hannover (Göttingen 2006), p95-100. [back]

The 13-shire-view

Looking for the exact name and location of the estate in Cookham, that ‘prettiest and gayest retirement’ George Grenville ever saw and where he wrote a small poem for (in 1749), I stumbled upon another poem: The Description of Cooke-ham. This poem was published as early as 1611 and written by the female poet Aemilia Lanyer (1569-1645).1 It is nowadays regarded as possibly the first ‘country house poem’ in Britain.2
Although she mentions Dorset a few times (while Grenville’s Cookam was located in Berkshire) we’re probably in the same county and village with both poems. The Clifford family members who Lanyer dedicated her publication to, and to whom she refers in her poem, leased Cookham in Berkshire from the Crown up till 1605.3
But we may still be dealing with two separate estates. So still no answer for my original question.

13 Shires
But one line in her poem struck me, as it reminded me of something I recently read elsewhere. It reads:

And thirteen shires appeared all in your sight,

Thirteen shires, where had I seen that before? As it turns out, in the (Shire) publication Georgian Garden Buildings (2012), when dr. Sarah Rutherford elaborates on ‘Columns’ in Georgian gardens. On page 47 she writes: Continue Reading »


  1. Lanyer included her poem in the third and last part of her publication Salve Deus Rex Judaeorum (1611). As it revolves around the Cliffords having to say farewell to Cookham -they left in 1605- the poem itself can probably be dated 1605-1606? [back]
  2. That title was previously held by Ben Jonson’s To Penshurst (1616), which is still considered the model for this type of poetry in Britain. In Dutch literature the first ‘Hofdichten’ that describe -or at least refer to- actual gardens are from Jan Baptiste Houwaert: Pegasides pleyn (1582-83), describing his garden near Brussels; and H.L. Spieghel: Hertspieghel (1597), describing his garden along the Amstel river. [back]
  3. Jonathan Post, ‘Seventeenth-Century poetry I: poetry in the age of Donne and Jonson‘, in: Michael O’Neill [ed], The Cambridge History of English poetry, Cambridge University Press (2010), p203. And Barbara Kiefer Lewalski, Writing Women in Jacobean England, Harvard University Press (1993), p138. [back]
Summary

Two references to ‘thirteen-shire-views’, written almost 150 years apart, but found by me in a few weeks time: that can not be a coincidence. Is the 13-shire-view a theme in Britain?

I thought it was about time I drew some attention towards the group I run1 on photo sharing site flickr: Historical Gardens. It offers a great way to visit gardens without leaving the comfort of your home (maybe ‘look at gardens’ is a better phrase here, as visiting them is always so much more rewarding).

A further advantage of this group is that it offers views from different seasons, different angles and different periods. As such it can be a great source for garden historians. This 1908 photo of one of the pond gardens at Hampton Court, for example, is a great photo of part of the garden that at first glance seems to have remained fairly intact: Continue Reading »


  1. ‘Run’ is a big word, I need to start updating the lists of gardens again, which is my self-inflicted duty as the group admin. But the lack of updating on my part, luckily does not stop people from joining and adding their photographs.
    Sometimes I specifically go out looking for old photos, and that is how I found the old Hampton Court photo featured here. [back]

It’s about architecture, this time, albeit the ‘garden front’. I’ve decided to add another (and last) item from George Grenville’s correspondence with his sister Hester Pitt, Countess of Chatham, that I picked up at the National Archives. Not because it is vitally important to my own research, but because it shows us that even shortly before his death, George Grenville was very much interested in building developments at both Stowe (his brother’s estate) and at Wotton (his own).

Stowe North Front

Stowe, the 1770 North Front and Colonnade, in recently restored version.Photo by Building Panos.

George is writing in September 1770, exactly two months before his death.1 He had been ill, but was recovering with a therapy called “Dr Huxham’s Decoction of the Bark” -although John Huxham (1692-1768) was famous for his ‘tincture of the bark’, which may have been part of the decoction Grenville took.2
His letter starts on the 11th of September 1770, at Wotton, and he finishes it on the 13th, then writing from Stowe. The main subject is his own disease, that of his wife, his sister’s and his sister-in-laws’; but from a garden perspective: building developments at Stowe as inspiration for Wotton’s ‘garden front’.
He writes:

Lord Temple is return’d in perfect [sic] & extremely pleased with the Colonnade in the North Front which is now almost finishd on one side except the stuccoing It is indeed very pleasing & very magnificent. (…) The success of the North Front has given fresh Life & Encouragement to the Plans for the Garden Front which at present ingross most of our Time & Conversation but no one ventures to decide upon any Thing without consulting Mr Pitt with whom there is a frequent Correspondence for that Purpose.

George Grenville died two months after writing this, and the garden front was never altered. I’m not sure a Stowe like garden front would have fitted at Wotton, it is probably a good thing that ‘no one ventured to decide upon any Thing’…

Wotton House, the Garden Front, untouched by ‘Stowe-like’ plans. Photo by Damien Dyer (Air Frame Photography).

 

Enhanced by Zemanta

  1. National Archives (UK, Kew), PRO 30/8/34/1, letter from George Grenville to his sister Hester Pitt, starting “Wotton Septr ye 11th 1770″; finishes “Stowe Septr ye 13th 1770″ [back]
  2. The method was advised to him by a certain sir William (Wm) Duncan. It was a combination of much horse back riding and exposure to fresh air, together with the use of the decoction, drawn from the bark of the south american Cinchona tree. The DNB says: “The compound tincture of cinchona bark in the British Pharmacopoeia, which also contains bitter orange peel, serpentary root, saffron, and cochineal mixed in spirit, was devised by him, and was for some time called ‘Huxham’s tincture.’” [back]
Summary

Up till two months before his death, George Grenville kept looking at developments at Stowe (his elder brother’s estate) as inspiration for his own Wotton House.

Wotton HouseGeorge Grenville (1712-1770) is not necessarily a household name in garden history. Better known for his political life, George Grenville is more famous for his period as Prime Minister (16 April 1763 – 13 July 1765) and for his earlier involvement with the navy. Yet he lived at Wotton (as he called it himself, or Wotton House) in Buckinghamshire when Lancelot Brown worked there in the years 1742-46.1
His uncle, Viscount Cobham, and later his elder brother Richard Grenville are household names in some respect, although in garden historical circles their garden at Stowe has acclaimed a much higher level of fame than the men who owned it.

All in all, enough reason for me to dive into some of the family correspondence, looking for (of course) completely different stuff than I ended up finding. In the National Archives at Kew I flipped through some of George’s letters, in this case written to his sister Hester Grenville, also known as Hester Pitt, Countess of Chatham.2 It is no surprise that their family’s gardens do come up in conversation sometimes. In 1760, for example, the Stowe part of the family made fun of George’s up till then futile attempts to get his lakes at Wotton filled with water -while their ‘new rivers‘ had filled up just fine, of course.3

But George Grenville also had an eye for smaller properties, and seems to have had strong ideas about the smallest issues. In July 1749 he writes about visiting a small property in Cookam, while on their way to nearby Cliveden (yet another big garden, a few miles east of Cookam). The house belonged to a certain Mrs Edwards, who at the time of Grenville’s visit had not yet returned from Bristol.4 The party nonetheless took possession of the kitchen, and enjoyed a meal. Grenville describes the house as ‘the prettiest gayest retirement I ever saw‘, but mentions that ‘the house is small and not extremely convenient‘ and that it would be impossible to live there during winter.
He goes on and writes to his sister that they were told of plans to cut down three trees -the only three on the property, George tells us. The party strongly opposed these plans, but what to do? In the absence of Mrs Edwards and thus incapable of convincing her to leave the trees be, they left her (in his words) ‘the following pathetick lines for her perusal‘:

Here the rude Axe with heaved stroke
Be never heard – my *nuts to crack
And lay my Tree upon its Back.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Poem in a letter from George Grenville to his sister Hester, July 9, 1749.

Grenville must have realized that the second half of this poem might spur some…, well… confusion. For his sister’s benefit, he added an asterisk in front of the word ‘nuts’, and the following explanation: *N.B. They are walnut Trees.

Ah! Thank you, George. A necessary explanation indeed. But I wonder whether he left the same explanation for poor Mrs Edwards…

Enhanced by Zemanta

  1. At the time of publishing this post I found out there is a complete issue of New Arcadian Journal devoted to the gardens at Wotton House and the involvement of the Grenville family therein. New Arcadian Journal 65/66 (2009). See the link in this footnote. I have not been able to get my hands on that, yet. [back]
  2. The National Archives, PRO 30/8/34/1, letters from George Grenville, her second brother [to Hester Pitt, born Grenville -HvdE], 1746-1770. [back]
  3. The National Archives, PRO 30/8/34/1, letter from George Grenville to Hester Pitt, June 27, 1760: ‘His [Lord Temple / Richard Grenville] letter is in very high spirits, not without some degree of insolence upon the dry bottoms of our lakes at Wotton compar’d with the new rivers which are making & filling at Stowe, (…).’ [back]
  4. The name of the place is never mentioned, and although this Cookam Parish description from 1923 mentions several bigger houses and manors, I haven’t been able to tie one of them to the property mentioned in George’s letter. [back]
Summary

George Grenville (1712-1770), statesman, writes a poem that could be understood as an attempt to protect some trees. However…

Older posts »