John Adey Repton in Utrecht?

Lezen over Humpry Repton leidde via een (op plaatsen foutieve) biografie tot een van zijn zoons, die werkzaam was als architect: John Adey Repton (1775-1860). Hij zou in 1822 naar het continent zijn gereisd, en onder andere in Utrecht advies hebben gegeven of hebben gewerkt.1“In 1822 he went abroad, and was consulted professionally at Utrecht and at Frankfort-on-the-Oder.”

In een blog op Gardenvisit.com schreef Tom Turner onlangs dat John Adey Repton door de ons bekende Hermann Fürst von Pückler-Muskau in Potsdam om advies werd gevraagd. Turner noemt geen datum of jaartal, maar Pückler-Muskau zou deze Repton in 1822 naar Muskau hebben gehaald voor advies.2Iris Lauterbach, ‘Werdende Bilder im Übergange: Gartenkunst und Landschaftsmalerei’, in: Parkomanie. Die Gartenlandschaften des Fürsten Pückler in Muskau, Babelsberg und Branitz (München 2016), p40-53, specifiek p43-44. Repton maakte blijkbaar een ontwerp voor een slot in neorenaissance-stijl3Cord Panning, ‘»… wer Muskau gesehen, hat mir ins Herz gesehen« Die Entwicklung des Muskauer Parks von 1815 bis 1945’, in: Parkomanie. Die Gartenlandschaften des Fürsten Pückler in Muskau, Babelsberg und Branitz (München 2016), p96-111, specifiek p100-101. en zou daarna met Pückler van Muskau naar Potsdam zijn gereisd.4M. Norton Wise, ‘»Wasser auf dem dürren Hügel« Mit Dampfkraft und Ingenieurskunst zum blühenden Landschaftsgarten’, in: Parkomanie. Die Gartenlandschaften des Fürsten Pückler in Muskau, Babelsberg und Branitz (München 2016), p200-217, specifiek p208.
Turner stelt vervolgens dat het park van Klein-Glienicke sporen draagt van Repton’s ontwerpprincipes, hoewel John Adey zelf naar verluidt alleen als architect werkzaam was, en zijn betrokkenheid bij het park niet bekend is.
Maar volgens Norton Wise verbleef John Adey Repton van 11 tot 19 mei 1822 in Glienicke en stelde hij twee wijzigingen in de door Lenné voor Karl August Fürst von Hardenberg (1750-1822) ontworpen ‘Pleasureground‘ voor, die echter niet werden uitgevoerd.5Norton Wise, op.cit. Norton Wise weet ook te melden dat Pückler in 1821 naar Humphry Repton had geschreven met een verzoek om advies, blijkbaar onbekend met het feit dat hij in 1818 was overleden.

Wat de vraag doet rijzen: weten we iets over dat werk van John Adey Repton in Utrecht? Klopt de biografische informatie? En zo ja: wat was het? Stad of provincie? Voor wie? Hoe past dit in zijn reis naar het oosten van Duitsland, die duidelijk op uitnodiging plaatsvond?

Footnotes   [ + ]

1. “In 1822 he went abroad, and was consulted professionally at Utrecht and at Frankfort-on-the-Oder.”
2. Iris Lauterbach, ‘Werdende Bilder im Übergange: Gartenkunst und Landschaftsmalerei’, in: Parkomanie. Die Gartenlandschaften des Fürsten Pückler in Muskau, Babelsberg und Branitz (München 2016), p40-53, specifiek p43-44.
3. Cord Panning, ‘»… wer Muskau gesehen, hat mir ins Herz gesehen« Die Entwicklung des Muskauer Parks von 1815 bis 1945’, in: Parkomanie. Die Gartenlandschaften des Fürsten Pückler in Muskau, Babelsberg und Branitz (München 2016), p96-111, specifiek p100-101.
4. M. Norton Wise, ‘»Wasser auf dem dürren Hügel« Mit Dampfkraft und Ingenieurskunst zum blühenden Landschaftsgarten’, in: Parkomanie. Die Gartenlandschaften des Fürsten Pückler in Muskau, Babelsberg und Branitz (München 2016), p200-217, specifiek p208.
5. Norton Wise, op.cit. Norton Wise weet ook te melden dat Pückler in 1821 naar Humphry Repton had geschreven met een verzoek om advies, blijkbaar onbekend met het feit dat hij in 1818 was overleden.
Summary

Humphry Repton’s son John Adey Repton is said to have worked in Utrecht in 1822. Do we know what he did there? Here’s some context for the continental trip during which he is supposed to have done that.

Continue reading

Een blik op Tuinenga’s kwekerij bij Dokkum

Mijn onderzoek naar de verblijfplaats in Nederland van Humphry Repton leidde in oktober naar Dokkum.1Het archief van de gemeente Workum is tijdelijk ondergebracht bij het Streekarchief, of Historisch Informatiecentrum Noordoost Fryslân in Dokkum, tot een nieuwe bewaarplaats in Bolsward gereed is. Net op tijd om de intocht van Sinterklaas te missen, en een mooie gelegenheid om onderstaand schilderij in Museum Dokkum te bekijken. Het is gerestaureerd en voor het eerst in 70 jaar weer voor publiek zichtbaar.

Van dit eind 18de eeuwse schilderij, met een lengte van 240 cm ook wel het langste schilderij van Dokkum genoemd en in het echt veel mooier dan hier afgebeeld, is voor ons uiteraard vooral de rechterhelft van belang.2De officiële naam luidt ‘Zicht op de Halvemaanspoort Dokkum’, de schilder en datering ervan zijn onbekend. Ik ben erg benieuwd waar dit schilderij oorspronkelijk hing, en wie (of welke organisatie) opdracht tot schilderen gaf. In wat eruit ziet als een groentekwekerij met veel kolen staat een man te schoffelen. Een collega loopt met een stuk gereedschap door de schuur waarnaast een derde de eendjes voert. Rechts van de schuur zijn langs het pad enkele rozenstruiken in bloei te zien, ervoor flankeren twee bedden met waarschijnlijk aardbeien enkele bedden (spits?)kool. De blik is naar het noorden gericht, dus de schaduwen geven aan dat hier een ochtendtafereel is afgebeeld.3Vóór mensen enthousiast worden: dit is er vrijwel niet meer, omdat in de tweede helft van de 19de eeuw een doorgraving is gemaakt ten behoeve van de scheepvaart. Wat hier zichtbaar is, is nu grotendeels een eiland; waar de schuur stond is nu waarschijnlijk eveneens water.

Wie en wat
Nieuwsgierig geworden naar functie en eigendom van dit terrein, dook ik maar eens in de kadastrale gegevens van 1832. Eigenaar van dit perceel (rechts, rood omlijnd) is dan Freerk Cornelis Tuinenga, ‘Guardenier’ -maar elders ook wel tuinier en hovenier genoemd, alsmede ‘gaardenier’ en ‘gardenier’.4Met de achternaam ging het net zo, deze werd ook wel als Tuininga geschreven. Bij de naamsaanneming in 1811 werd de naam geschreven als ‘Thuinnenga’. De twee percelen die hij hier bezat beslaan elk een oppervlakte van bijna twee hectare, dus Tuinenga was een kweker van formaat. Hij bezat verder een huis aan de westzijde van de Breedstraat in Dokkum, ter hoogte van de Waag. Ondanks twee zoons die eveneens gaardenierden, werd de kwekerij al binnen enkele weken na zijn dood op 5 december 1862 (oud 71 jaar) te koop aangeboden.5We zien Elzert Freerks Tuinenga vijf jaar later nog wel de eerste vroege aardappel van de koude grond aanbieden aan de Commissaris van de Koning in Friesland, dus waarschijnlijk was er al voor het overlijden van Freerk Cornelis een ander terrein gevonden. Freerk Cornelis was zelf ook al met aardappelen bezig, maar in eerste instantie niet op eigen terrein: in de gemeenteraad (!) van Leeuwarden werd op 22 mei 1852 de aankomst besproken van nieuwe aardappelen, ‘door den hovenier F. Tuininga van Dokkum, gebouwd in de tuin van F.J. van Slooten, aldaar.’ Het nutskarakter van deze kwekerij wordt benadrukt door de grote hoeveelheden fruitbomen en vruchtdragende struiken die in de advertentie staan vermeld. De schuur blijkt een ‘drooghuis’ te zijn.
Niets wijst erop dat Tuinenga een kweker was die bomen en struiken leverde aan particulieren.

Familiebedrijf
Maar als Freerk Cornelis Tuinenga in 1791 werd geboren, wie was dan eigenaar van de kwekerij toen het schilderij werd geschilderd?6Bij zijn doop, begin april, staat dat hij op 25 maart 1791 werd geboren. Hier staan alleen nog patroniemen vermeld, geen achternaam. Gelukkig stond ook vader Cornelis Hendriks Tuinenga te boek als ‘gardenier’, dus het zou om een erfenis kunnen gaan. Bij zijn overlijden in 1821 was vader Tuinenga 66 jaar oud, wat het geboortejaar 1754 of 1755 oplevert.7Vergelijk de tekst van deze akte: Cornelis Tuininga, overleden op 19 juni 1821, ‘gardenier, vader van Freerk Cornelis Tuininga, tuinier’; met deze overlijdensakte: ‘Cornelis Hendriks Tuininga, oud zes en zestig jaren, Gardernei alhier; weduwnaar van Sjoukjen Freerks [getrouwd 9 mei 1779 -HvdE], zoon van Hendrik Diederts en Yltje Cornelis [getrouwd 7 juni 1748 -HvdE]’.
Maar linnenwever Hendrik Dijderts liet een zoon Cornelis dopen op 29 juni 1757 (bron), dus ofwel is er een rekenfout gemaakt bij Cornelis’ overlijden, ofwel heb ik de verkeerde akte in handen.
 Of Cornelis Hendriks de kwekerij in eigendom had toen dit schilderij werd gemaakt, hangt onder meer af van de datering ervan, maar ik heb helaas geen grondaankopen gezien die kunnen bevestigen wanneer de Tuinenga’s eigenaar werden.8Ik bedoel hiermee dat ik deze informatie niet online vond. Dokkum is voor mij te ver om dit ter plaatse uit te zoeken, maar dit stukje informatie ligt daar natuurlijk voor het oprapen. Het terrein zelf was waarschijnlijk pas halverwege de 18de eeuw geschikt om een kwekerij op te vestigen. De stad Dokkum stond via het zoute water van het Dokkumer Diep in open verbinding met de zee. Tot de bouw van de Dokkumer Nieuwe Zijlen tussen 1723 en 1729 zal dit buitendijks gelegen land regelmatig door dat zoute water zijn overstroomd.

Buurman
Waarom lezen we hier over een groente- en fruitkweker, of warmoezenier? Ten eerste omdat het schilderij mooi en informatief is. Ten tweede omdat Freerk Cornelis Tuinenga vandaag precies 155 jaar geleden overleed. Ten derde omdat er een miniem aanknopingspunt is met bekende figuren uit de Nederlandse tuinhistorie. In 1832 deelde de kwekerij van Tuinenga een piepklein stukje eigendomsgrens met de boerderij Klein Sionsberg. Eigenaar daarvan was Willem Alberda van Ekenstein (1792-1869), wonend in het Groningse Loppersum, die de boerderij mogelijk vanuit zijn standplaats Leeuwarden had gekocht.9Hij was als ‘controleur der directe belastingen’ gevestigd in die stad, maar ik sluit niet uit dat de boerderij via bijvoorbeeld een erfenis in zijn bezit is gekomen, net als Ekenstein zelf.

Links het oppervlak van Freerk Cornelis Tuinenga’s kwekerij buiten de Halvemaanspoort in Dokkum. Rechts het totale eigendom van Willem Alberda van Ekenstein. Zijn perceel met als gebruik ‘Oude Zeedijk’ in 1832, grenst aan de ‘moestuin’ van Tuinenga (bron alle kaarten: HisGis).

Zoals zijn naam al aangeeft, bezat deze generatiegenoot van Freerk Cornelis Tuinenga tevens de buitenplaats Ekenstein, tussen Loppersum en Appingedam. Willem Alberda van Ekenstein liet daar in 1827 een nieuwe tuin ontwerpen door Lucas Pieters Roodbaard.
En dan begin ik toch een beetje te hopen dat Tuinenga op die bijna 4 hectaren ook wat ander geboomte en struikgewas had staan…

Footnotes   [ + ]

1. Het archief van de gemeente Workum is tijdelijk ondergebracht bij het Streekarchief, of Historisch Informatiecentrum Noordoost Fryslân in Dokkum, tot een nieuwe bewaarplaats in Bolsward gereed is.
2. De officiële naam luidt ‘Zicht op de Halvemaanspoort Dokkum’, de schilder en datering ervan zijn onbekend. Ik ben erg benieuwd waar dit schilderij oorspronkelijk hing, en wie (of welke organisatie) opdracht tot schilderen gaf.
3. Vóór mensen enthousiast worden: dit is er vrijwel niet meer, omdat in de tweede helft van de 19de eeuw een doorgraving is gemaakt ten behoeve van de scheepvaart. Wat hier zichtbaar is, is nu grotendeels een eiland; waar de schuur stond is nu waarschijnlijk eveneens water.
4. Met de achternaam ging het net zo, deze werd ook wel als Tuininga geschreven. Bij de naamsaanneming in 1811 werd de naam geschreven als ‘Thuinnenga’.
5. We zien Elzert Freerks Tuinenga vijf jaar later nog wel de eerste vroege aardappel van de koude grond aanbieden aan de Commissaris van de Koning in Friesland, dus waarschijnlijk was er al voor het overlijden van Freerk Cornelis een ander terrein gevonden. Freerk Cornelis was zelf ook al met aardappelen bezig, maar in eerste instantie niet op eigen terrein: in de gemeenteraad (!) van Leeuwarden werd op 22 mei 1852 de aankomst besproken van nieuwe aardappelen, ‘door den hovenier F. Tuininga van Dokkum, gebouwd in de tuin van F.J. van Slooten, aldaar.’
6. Bij zijn doop, begin april, staat dat hij op 25 maart 1791 werd geboren. Hier staan alleen nog patroniemen vermeld, geen achternaam.
7. Vergelijk de tekst van deze akte: Cornelis Tuininga, overleden op 19 juni 1821, ‘gardenier, vader van Freerk Cornelis Tuininga, tuinier’; met deze overlijdensakte: ‘Cornelis Hendriks Tuininga, oud zes en zestig jaren, Gardernei alhier; weduwnaar van Sjoukjen Freerks [getrouwd 9 mei 1779 -HvdE], zoon van Hendrik Diederts en Yltje Cornelis [getrouwd 7 juni 1748 -HvdE]’.
Maar linnenwever Hendrik Dijderts liet een zoon Cornelis dopen op 29 juni 1757 (bron), dus ofwel is er een rekenfout gemaakt bij Cornelis’ overlijden, ofwel heb ik de verkeerde akte in handen.
8. Ik bedoel hiermee dat ik deze informatie niet online vond. Dokkum is voor mij te ver om dit ter plaatse uit te zoeken, maar dit stukje informatie ligt daar natuurlijk voor het oprapen.
9. Hij was als ‘controleur der directe belastingen’ gevestigd in die stad, maar ik sluit niet uit dat de boerderij via bijvoorbeeld een erfenis in zijn bezit is gekomen, net als Ekenstein zelf.
Summary

A recently restored painting of almost 2.5 meters long caught my eye the other day. Diving into the history of the portrayed area and identifying the owners of the nursery, I also spotted a garden owner who is well known in Dutch garden history. For now, there is little more than a tentatively interesting but frustratingly small connection between the two.

Continue reading

Humphry Repton lived in Woudrichem, not Workum

English landscape architect Humphry Repton (1752-1818) will be celebrated in the UK next year, to commemorate the 200th anniversary of his death. Not many people are aware that Repton spent some time in the Netherlands as a youngster, between ages 12 and almost 16. Part of this period he described as quality time, part of it would have made him feel miserable, were he not such a good sport.
We learn all this from his biography, published in 1840 and based on his own memoirs, which Repton apparently wrote for his children.1A.B., ‘Biographical notice of the late Humphry Repton, Esq.’, in: J.C. Loudon, The landscape gardening and landscape architecture of the late Humphry Repton (London 1840), p1-22. Link

Given the upcoming celebrations, I was curious to see if more information about his tenure here could be found. Unfortunately Repton’s original memoirs covering the first years of his life are currently unavailable, so we have to rely on the at times very detailed information his biography provides, and go from there.2His biographer indicates that Repton wrote about this period in minute detail, but understandably decided to use just a few items. Since a boy in his teens usually doesn’t show up in official records unless something bad happens, information is scarce. However, parts of what I did find differ from the information in Repton’s biography.
This post concerns the less pleasant part of his life in the Netherlands: his first twelve months at school. The pronunciation of some words in Dutch plays an important role.

What we think we know
Let’s start with the biography’s version of events. Repton was born in Bury St Edmunds (Suffolk) in 1752 and moved to Norwich (Norfolk) with his family as a child. In the summer of 1764 Repton’s father decided that his son needed to go to the Netherlands. The goal was for him to learn Dutch and to acquire business acumen.3I’d say that his Norwich based father was rather late to realize that the influence of the Dutch had been waning for decades, and that the tables had turned in favour of Britain. But the merchants of Norwich may have had different experiences, so I won’t try to second-guess this decision. According to biographer ‘A.B.’, his father and sister accompanied young Humphry to the continent, where he ended up at a school in Workum.4A.B., op.cit., p6. His teacher there was – here the biographer seems to be quoting Repton – ‘Mynheer Algidius Zimmerman’.5A.B., op.cit., p8.
Unfortunately part of this information is wrong. His teacher was called Algidius nor Zimmerman, and neither he nor Repton was in Workum. To be fair on Repton and his biographer: the mistakes made are all understandable.

Place
The only Workum one will ever find on a map of the Netherlands, is the city of that name in the province of Friesland, in the north of the country (click on the map to enlarge).
The city had two ‘normal’ schools and a ‘Latin’ school, where upper class children prepared for further studies.6Source here (in Dutch, of course). Repton could have been schooled here, but Workum is an improbable place to send an English boy to. Apart from very personal connections between the Repton family and someone in Workum, no convincing argument comes to mind.
What made it particularly improbable, is that at the time it would have been possible to travel directly by boat from Norwich to Workum.7Work on the Afsluitdijk, which now all but cuts off that northern route, only began in 1927, more than 160 years later. The waters between Den Helder and the island of Texel were heavily used, since it was the only open sea route to and from the port of Amsterdam. But Repton boarded in Harwich and came ashore in Hellevoetsluis, almost at the other side of the country.8A.B., op.cit., p5. From there the journey north would have taken an additional two days.

I could not establish personal connections between the Repton family and someone in Workum. And the fact that no schoolteacher with a name even remotely resembling Algidius Zimmerman could be found anywhere near Workum, lead to the conclusion that neither of them was actually there. Which meant I had to look further.
Find the teacher, and we know where Repton was. But Algidius Zimmerman doesn’t seem to exist at all. The more likely alternative name Aegidius didn’t immediately yield results that fit our purpose; and the alternative surname Timmerman is Dutch for ‘carpenter’, thus yielding a million results in genealogical and archival databases. Looking for alternative personal names would obviously not get me anywhere soon.

What to do?
Every next step was going to be a fishing expedition. My idea was that the biographer may have misread or misinterpreted Repton’s writing of the town’s name. And all along there was at least one viable alternative. Much farther south than Workum and not too far east from Hellevoetsluis, is a city that officially goes by the name of Gorinchem, but in normal parlance this is pronounced – and sometimes even written – as Gorkum.9Or, like in the name of the local museum, as Gorcum.


That line of inquiry quickly turned out to be a bust, but the same construction applies to the name of a few other cities and villages in that area. One of these places is just on the other side of the river from Gorinchem, called Woudrichem. Locals pronounce this as Woerkum or even Worcum (the ‘c’ in Worcum is pronounced as the letter ‘k’).10Bert van Straten, Woudrichem, een greep uit de historie (Almkerk 1989), p9. I grew up not far from there, but never heard the version without the ‘e’. That must be a very local thing. Figuring that if this man was a schoolteacher, he should also be a member of the Reformed Church, I started going through the so-called lidmaten register of June 1763.11Or ledematen, as the register was called in Woudrichem. Based on house calls, the overview was updated regularly. In Woudrichem house calls were done at 23 and 24 June 1763, and again at 24 June 1768. The pair is also mentioned there, his name now written as Egidius.
And there I found a man with the at least very similar name Ægidius Timmerman, married to a Maria van Dijk and living on the Hoogstraat in Woudrichem. When it turned out this man had been the only schoolteacher in Woudrichem for over 40 years, I was pretty certain.12Van Straten, op.cit., p32. Also: Arie Jan Stasse, ‘Schoolmeesters in het Land van Heusden en Altena tot ca. 1811’, in: Genealogisch tijdschrift voor midden- en west-Noord-Brabant en de Bommelerwaard, jrg. 25 (2001), nr. 4, p. 299-301. via. Not only did I find Repton’s teacher, suddenly there was an abundance of sources mentioning him (none of them naming Repton): from an 1873 article specifically about his boarding school, to a mention in the Woordenboek der Nederlandse Taal.13Both based on a copy of the same prospectus for his boarding school. See lemma ‘kostschool’ in the WNT, in particular under the heading ‘kostschoolhouder’.
In official documents and on maps, Woudrichem is always referred to under its full name. Repton probably used one of the dialect versions of the cities’ name in his memoirs, leading his biographer (who only had the official names at his disposal) to the wrong city.

Egidius Timmerman and his school(s)
By the time Repton came to Woudrichem, Timmerman had been teacher there for more than fifteen years. Born in Haastrecht14Near Gouda. in 1723 and with a previous teaching experience in Acquoy15Bordering the river Linge. under his belt, Timmerman was officially installed as schoolteacher in Woudrichem in 1748.16Van Straten, op.cit., p32. He was assigned to lead the Nederduitse school, which meant his pupils were provided the most basic types of education (spelling, reading Dutch), with a strong emphasis on the scripture and psalms. His other assignment was to be voorzanger (lead singer) in church every Sunday.17J.L.G. Kingmans, ‘Meester Ægidius Timmerman’, in: Taxandria, Tijdschrift voor Noord Brabantsche Geschiedenis en Volkskunde XVI (1909), p14-18. This combination of tasks was very normal for schoolteachers, often they also had to ring the church bells.

But Humphry Repton probably did not attend this Nederduitse school. Timmerman had started his own ‘French’ boarding school, using the cities’ insistence that only he was allowed to educate people in Woudrichem to his advantage.18Van Straten, op.cit., p32. Timmerman published a prospectus in Dutch and French to advertise his project (republished in both languages here). Apart from prospective pupils having to bring their own napkins, silver cutlery, tin plates and drinking mug, the requirement for semi-annual payments stands out. These neatly align with the ‘half-yearly payments’, mentioned in Repton’s biography.19A.B., op.cit., p7. This may have been the standard payment schedule for all boarding schools. In addition to religious teachings, the Dutch and French languages and arithmetics, Timmerman also provided lessons in bookkeeping.20‘Ceus des Pensionnaires, qui desirent d’apprendre l’Art de tenirs de livre de compte, payent de 25 Florins.’ (link). This brings to mind Repton’s remark that “A Dutch merchant’s accounts and his garden were kept with the same degree of accuracy and attention.”21A.B., op.cit., p6.

Unknown artist, Garden of Martinus van Barnevelt in Gorinchem, 1760-1770. Collection Gorcums Museum.

Name
The prospectus also shows that Repton’s teacher referred to himself as Egidius Timmerman. He did the same when he advertised his school in a newspaper in 1749:

This version of his name is corroborated by the entry of his baptism in the Haastrecht church records on 22 March 1723.22Kingmans, op.cit., refers to a baptism date of 6 January 1718. It is true that parents Jan Timmerman and Jakoba Danens (sometimes written as Danis), had a boy called Egidius baptised at this date. But the fact their next born son was also baptised with the name Egidius, indicates that the 1718 Egidius had not survived. But during his life (and after, as the article by Kingmans shows), other people often referred to him as Ægidius or Aegidius. Here, again, particular characteristics of the Dutch language are at play. In Dutch all versions sound the same, the ultimate spelling depends on the clerk of the day. Given the fact that in English the ‘E’ and ‘Ae’ at the beginning of a word are often pronounced differently, Repton may have been taught the Aegidius spelling to at least come to the correct pronunciation.23Although one wonders whether any of these students would have ever known Timmerman’s full name, let alone used it. But for Repton, who was supposed to learn Dutch, this may have been a good and practical exercise. Which in turn may have caught his biographer off-guard: a hand-written Aegidius can easily be read as Algidius; the same applies to Timmerman-Zimmerman.

Woudrichem it is!?
Humphry Repton must have spent his first twelve months in the Netherlands in the fortified city of Woudrichem, where (salmon) fishing and agriculture were the main source of income for the 600-700 inhabitants.24Woudrichem formed an important link in the Dutch defense system, called Hollandse Waterlinie, dating back to the 16th century war against Spanish occupiers. A garrison was stationed at nearby castle Loevestein. But apart from its location in the country relative to where Repton landed, Woudrichem seems to be an even more unlikely place than Workum to send an English boy to for educational purposes. There were only two official schools, both lead by Egidius Timmerman. As of yet, I have seen no mention of Repton in local records, and school records do not seem to have survived.
But I believe there is enough additional information to support the idea that Repton lived in Woudrichem, although the evidence remains circumstantial. The linking pins are people living in and connected to the city of Rotterdam.

An upcoming post will look at that in more detail.

 

Footnotes   [ + ]

1. A.B., ‘Biographical notice of the late Humphry Repton, Esq.’, in: J.C. Loudon, The landscape gardening and landscape architecture of the late Humphry Repton (London 1840), p1-22. Link
2. His biographer indicates that Repton wrote about this period in minute detail, but understandably decided to use just a few items.
3. I’d say that his Norwich based father was rather late to realize that the influence of the Dutch had been waning for decades, and that the tables had turned in favour of Britain. But the merchants of Norwich may have had different experiences, so I won’t try to second-guess this decision.
4, 21. A.B., op.cit., p6.
5. A.B., op.cit., p8.
6. Source here (in Dutch, of course).
7. Work on the Afsluitdijk, which now all but cuts off that northern route, only began in 1927, more than 160 years later. The waters between Den Helder and the island of Texel were heavily used, since it was the only open sea route to and from the port of Amsterdam.
8. A.B., op.cit., p5.
9. Or, like in the name of the local museum, as Gorcum.
10. Bert van Straten, Woudrichem, een greep uit de historie (Almkerk 1989), p9. I grew up not far from there, but never heard the version without the ‘e’. That must be a very local thing.
11. Or ledematen, as the register was called in Woudrichem. Based on house calls, the overview was updated regularly. In Woudrichem house calls were done at 23 and 24 June 1763, and again at 24 June 1768. The pair is also mentioned there, his name now written as Egidius.
12. Van Straten, op.cit., p32. Also: Arie Jan Stasse, ‘Schoolmeesters in het Land van Heusden en Altena tot ca. 1811’, in: Genealogisch tijdschrift voor midden- en west-Noord-Brabant en de Bommelerwaard, jrg. 25 (2001), nr. 4, p. 299-301. via.
13. Both based on a copy of the same prospectus for his boarding school. See lemma ‘kostschool’ in the WNT, in particular under the heading ‘kostschoolhouder’.
14. Near Gouda.
15. Bordering the river Linge.
16, 18. Van Straten, op.cit., p32.
17. J.L.G. Kingmans, ‘Meester Ægidius Timmerman’, in: Taxandria, Tijdschrift voor Noord Brabantsche Geschiedenis en Volkskunde XVI (1909), p14-18. This combination of tasks was very normal for schoolteachers, often they also had to ring the church bells.
19. A.B., op.cit., p7. This may have been the standard payment schedule for all boarding schools.
20. ‘Ceus des Pensionnaires, qui desirent d’apprendre l’Art de tenirs de livre de compte, payent de 25 Florins.’ (link).
22. Kingmans, op.cit., refers to a baptism date of 6 January 1718. It is true that parents Jan Timmerman and Jakoba Danens (sometimes written as Danis), had a boy called Egidius baptised at this date. But the fact their next born son was also baptised with the name Egidius, indicates that the 1718 Egidius had not survived.
23. Although one wonders whether any of these students would have ever known Timmerman’s full name, let alone used it. But for Repton, who was supposed to learn Dutch, this may have been a good and practical exercise.
24. Woudrichem formed an important link in the Dutch defense system, called Hollandse Waterlinie, dating back to the 16th century war against Spanish occupiers. A garrison was stationed at nearby castle Loevestein.
Summary

In 2018 wordt in het Verenigd Koninkrijk veel aandacht besteed aan landschapsarchitect Humphry Repton (1752-1818). Als tiener verbleef Repton een aantal jaar in Nederland. Volgens zijn biografie verbleef hij het eerste jaar in Workum, waar hij onderwijs kreeg van ene Algidius Zimmerman. Nader onderzoek wijst uit dat deze drie elementen uit zijn biografie niet kloppen.

Continue reading

Maaslust te Rotterdam, een aanleg van Louis Paul Zocher

Twee gloednieuwe publicaties over de architectenfamilie Zocher hebben de afgelopen maand officieel het licht gezien. Het Zuid-Hollandse Zocher Project (focust op de Zuid-Hollandse landgoederenzone)1Korneel Aschman, ’Zogher, de fameuse aanlegger’. Kwaliteitsimpuls Zocherparken in de landgoederenzone Zuid-Holland. Gepresenteerd in april 2017.; en de nieuwe versie van Zocher-online (Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven).2Carla en Juliet Oldenburger, Groenprojecten van de Zochers in perspectief. Landschapsarchitectuur in 19de-eeuws Nederland, versie april 2017. Beiden zijn in .pdf beschikbaar.

Deze bronnen pretenderen niet volledig te zijn, sterker nog: in beiden wordt gepleit voor meer onderzoek, danwel om meer informatie verzocht. Dit postje is een reactie op dat laatste verzoek, want in beide publicaties ontbreekt helaas een Rotterdamse tuinaanleg van Louis Paul Zocher. Niet dat dit volledig onbekend zou moeten zijn, want aan het begin van deze eeuw is er al over gepubliceerd.3Machteld van Limburg Stirum, De Muizenpolder in Rotterdam, met zijn buitens en bewoners in de 18e en 19e eeuw. Rotterdam 2001 (Stichting ‘Historische Publicaties Roterodamum’), pagina’s 134, 135 en 140. Dit boek is niet heel fijn geschreven en bij nadere beschouwing vaker inaccuraat dan wenselijk. Maar de informatie over Zocher en Maaslust klopt.
Het gaat om de tuin van Maaslust aan de Parklaan in Rotterdam. Op 9 februari 1875 stuurde L.P. Zocher een brief aan de eigenaar van Maaslust, Rudolf Mees.4Stadsarchief Rotterdam, toegang 33.01, Handschriftenverzameling van de gemeente Rotterdam, aanvullingen 1848-1987 (Collectie), inv.nr. 2664 [Stukken betreffende de Buitenplaats “Maaslust” aan het Nieuwewerk, wijk U No. 49 (vroeger Prot. No. 757-759, later Kad. Sectie A No. 895, 896, 900, 1062 en 1063 (ged). Na afbraak en herbouw Sectie A No 5205, 5206, 6093, 5834 en 5837 (ged), 1696-1900.], brief van 9 februari 1875. De brief is ondertekend met ‘JD Zocher LP Zocher’. J.D. Zocher (jr) was al in 1870 overleden, maar L.P. ondertekende vaak toch nog met beide namen. Het was een brief ter begeleiding van een tekening van ‘het front uwer zitplaats’ (niet gevonden). Uit de inhoud blijkt dat de opdracht al is verleend, maar dat er nog wat puntjes op de ‘i’ moesten worden gezet. Zocher stelt dat het werk voor ƒ3.350,- gedaan zou kunnen worden, en hij geeft een kort overzicht van welke kosten daarmee zouden zijn gedekt. Op het tweede vel5Zie afbeelding, de groenige vlek in het midden wordt veroorzaakt door de camera in mijn telefoon. meldt hij dat de streefdatum voor het afwerken van de aanleg 1 mei 1875 zal zijn. Eind mei en begin juni van dat jaar zouden ter laatste afwerking nog wat bloemen geplant moeten worden.

In 1870 erfde Rudolf Mees het buiten Maaslust van zijn vader. Hij liet het oude huis afbreken en er een door J.M. van Binsbergen en J.C. Bellingwout ontworpen nieuwe villa voor in de plaats zetten. Later zou H.P. Berlage nog wijzingen in het huis aanbrengen.6Zie het artikel van Jos Veerman, ‘De Rotterdamse villa Maaslust en Berlage’, in: Bulletin KNOB 104 (2008), nr.4, p130-137 (link). Ook de online samenvatting van dit stuk verbindt overigens Zocher aan de aanleg van de tuin (zie tevens een korte melding in het artikel op p131). In februari 1875 waren de bouwwerkzaamheden volgens Zocher nog bezig, maar blijkbaar ver genoeg gevorderd om snel aan de aanleg van de tuin te kunnen beginnen.

De enige reden dat L.P. Zocher níet verantwoordelijk zou zijn voor de aanleg van deze tuin, kan het plotselinge overlijden zijn geweest van diens oudste dochter Johanna Jacoba Zocher, op 30 maart 1875.7Oldenburger, op.cit., .pdf-image 27 (paginering ontbreekt in mijn versie). De planning van de aanleg zoals vastgelegd in genoemde brief, kan door dit verlies ernstig zijn verstoord.
De tuin lijkt op dit moment qua oppervlakte in ieder geval nog grotendeels intact, maar aan de invulling ervan zal in de tussenliggende 142 jaar ongetwijfeld gesleuteld zijn. Het huis is in de afgelopen jaren in ieder geval opgeknapt en verbouwd, of dat voor de tuin ook geldt is mij niet bekend. Hoeveel er nog van de aanleg van Zocher over is, moet nader onderzoek uitwijzen.

De ongedateerde oude foto rechtsboven biedt een blik in de tuin, gezien richting het noorden.8Stadsarchief Rotterdam, toegang 39, Archief van de familie Mees, inv.nr. 2300. De foto dateert in ieder geval van voor de sloop van de rooms-katholieke H.H. Ignatius en Laurentiuskerk aan de Westzeedijk in 1967. De monumentale villa bevindt zich dan schuin rechts achter ons.9In een ongemarkeerd bruin mapje in het Stadsarchief van Rotterdam bevindt zich nog een overzicht met door de aannemer uit te voeren werkzaamheden uit de periode van sloop en nieuwbouw. De bakstenen van het gesloopte huis werden hergebruikt als tuinmuur langs de grenzen van het perceel.
Stadsarchief Rotterdam, toegang 33.01, inv.nr. 2664 [op.cit.], ongemarkeerd bruin mapje.

Maaslust gezien vanaf de Parklaan. De villa is recentelijk opgeknapt. Foto’s: HvdE.
Beneden: de ligging van Maaslust in Rotterdam.

Edited @ 25 April 2017, om een beschrijving in Footnote 4 te verduidelijken.

Footnotes   [ + ]

1. Korneel Aschman, ’Zogher, de fameuse aanlegger’. Kwaliteitsimpuls Zocherparken in de landgoederenzone Zuid-Holland. Gepresenteerd in april 2017.
2. Carla en Juliet Oldenburger, Groenprojecten van de Zochers in perspectief. Landschapsarchitectuur in 19de-eeuws Nederland, versie april 2017.
3. Machteld van Limburg Stirum, De Muizenpolder in Rotterdam, met zijn buitens en bewoners in de 18e en 19e eeuw. Rotterdam 2001 (Stichting ‘Historische Publicaties Roterodamum’), pagina’s 134, 135 en 140. Dit boek is niet heel fijn geschreven en bij nadere beschouwing vaker inaccuraat dan wenselijk. Maar de informatie over Zocher en Maaslust klopt.
4. Stadsarchief Rotterdam, toegang 33.01, Handschriftenverzameling van de gemeente Rotterdam, aanvullingen 1848-1987 (Collectie), inv.nr. 2664 [Stukken betreffende de Buitenplaats “Maaslust” aan het Nieuwewerk, wijk U No. 49 (vroeger Prot. No. 757-759, later Kad. Sectie A No. 895, 896, 900, 1062 en 1063 (ged). Na afbraak en herbouw Sectie A No 5205, 5206, 6093, 5834 en 5837 (ged), 1696-1900.], brief van 9 februari 1875. De brief is ondertekend met ‘JD Zocher LP Zocher’. J.D. Zocher (jr) was al in 1870 overleden, maar L.P. ondertekende vaak toch nog met beide namen.
5. Zie afbeelding, de groenige vlek in het midden wordt veroorzaakt door de camera in mijn telefoon.
6. Zie het artikel van Jos Veerman, ‘De Rotterdamse villa Maaslust en Berlage’, in: Bulletin KNOB 104 (2008), nr.4, p130-137 (link). Ook de online samenvatting van dit stuk verbindt overigens Zocher aan de aanleg van de tuin (zie tevens een korte melding in het artikel op p131).
7. Oldenburger, op.cit., .pdf-image 27 (paginering ontbreekt in mijn versie).
8. Stadsarchief Rotterdam, toegang 39, Archief van de familie Mees, inv.nr. 2300. De foto dateert in ieder geval van voor de sloop van de rooms-katholieke H.H. Ignatius en Laurentiuskerk aan de Westzeedijk in 1967.
9. In een ongemarkeerd bruin mapje in het Stadsarchief van Rotterdam bevindt zich nog een overzicht met door de aannemer uit te voeren werkzaamheden uit de periode van sloop en nieuwbouw. De bakstenen van het gesloopte huis werden hergebruikt als tuinmuur langs de grenzen van het perceel.
Stadsarchief Rotterdam, toegang 33.01, inv.nr. 2664 [op.cit.], ongemarkeerd bruin mapje.
Summary

Maaslust, a Rotterdam villa where Louis Paul Zocher laid out a garden in 1875, is still omitted in two recent (explicitly preliminary) overviews of the works of this illustrious family of architects. It is time to refer to a 2001 publication, where the evidence was already gathered. And to add some of my own.

Continue reading

Templar cave or 19th century folly

News media exploded the past few days over the ‘discovery’ of a 700 year-old cave in Shropshire, purportedly used by the Knights Templar. The entrance through a rabbit hole added some Alice in Wonderland qualities to the story.
When asked by Dutch newspaper Volkskrant, the photographer credited with the discovery said it must have been ‘a very obese rabbit’. He also didn’t discover the grotto, nor has he ever claimed as much: a youtube video alerted him to the existence of this grotto and inspired him to explore. Although many media also reported this, the lure of the Knights Templar story was too strong to ignore. Even the BBC could not restrain itself.
Caynton Caves in Shropshire

Nothing but a story it seems to be. Although the origin of the caves seems to be unclear, their existence was no secret: they were even closed off in 2012 because the grotto was vandalized and used by modern day ‘black ritual’ practitioners. Several people have photographed the grotto in previous years, as this album on flickr shows. The area was used as a quarry in previous centuries, and probably turned into a garden grotto for the family who built Cayton Hall between 1775 and 1803. The grotto itself is dated between 1800 and 1850, a description of Caynton Hall on ParksandGardens.org (created on 1 October 2008) tells us.

The story as presented in the media over the past days, was a hoax. Nothing like dropping terms like Knights Templar, Freemasonry, Illuminati and the like to get the juices flowing. Just ask Dan Brown. One wishes ‘regular’ garden history, and real discoveries, would create such an effect.
It did some good, though. The Caynton Caves wikipedia page is thoroughly updated over the past two days, with sources going back a few decades.

The house, its grounds, as well as the site where the grotto is located, are private property.

 

Summary

Zoals de Volkskrant vanmorgen al schrijft: berichten over een pas ontdekte Tempeliersgrot in Shropshire zijn een typisch geval van ‘een goed verhaal moet je niet doodchecken’. Ze deden het toch. Hoewel de oorsprong niet helemaal duidelijk is, lijkt het niet meer te zijn dan een fijne folly, gemaakt in een in onbruik geraakte steengroeve. Niets nieuws voor tuinhistorici.

Continue reading

Wegdam revisited

Six years ago I wrote a small piece about a peculiar elevation in the garden of Wegdam, near Goor in the Netherlands. A ‘hill’ I called it earlier, but it can’t be much more than 5 meters high. The problem at the time was that it was difficult to present my case,  partly because topographical maps did not indicate there wás an elevation before 1989.

Enter a source I have used earlier this year: the Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). That same technology shows the elevation at Wegdam in all its glory, as well as the ‘canal’ leading up to it from the road. 1This body of water is not coloured blue on the AHN, but the image shows where the ground level is lower.
This view immediately clarifies the point I was trying to make: that it was and is situated in the central axis leading into the garden from the front door. And thus must have been a deliberate part of the garden’s design.

Wegdam as seen on the Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). The central axis is indicated by the red dotted line.

 

Looking towards the northeast, the stretch of water would have lead the visitor’s eye between the buildings of a farm, further into the countryside. A turn to the west would have given a view of the house. It would have been a perfect belvedere. The questions from six years ago (when was the hill created -the AHN doesn’t solve that issue; was there ever a building or structure on top of it?) remain unanswered till this day. 2Provided I have not missed anything in a local publication.

The image above leads to a new question, though: near the top there is a junction of two roads, forming an irregular ‘cross’ sign with four arms. But the LIDAR imagery of the AHN shows at least five extra straight lines radiating from this junction. Could this be an indication the area has been used as hunting ground, with a sterrenbos as its centre? Maps over the past 200 years do not show this feature, which means that if this was a sterrenbos, it must have been older than that.

sterrenbos-carolinaberg-dieren

Aerial view of the Carolinaberg in Dieren, an example of a sterrenbos created for hunting purposes. It boasts 14 straight avenues radiating from the centre.

Footnotes   [ + ]

1. This body of water is not coloured blue on the AHN, but the image shows where the ground level is lower.
2. Provided I have not missed anything in a local publication.
Summary

Het Actueel Hoogtebestand Nederland geeft een duidelijk beeld van het bergje in de bosrand op Wegdam, nabij Goor. Er zijn elders hoogteverschillen te zien die erop lijken te duiden dat er ooit een sterrenbos kan zijn geweest.

Continue reading

Trees ahoy!

Two stories about trees floating in upright position appeared in the media this month: one related to something that has long been a traditional feature of park landscaping, the other as part of a climate change awareness project. They made me think of an earlier example.

The traditional story comes from Georgia (see this BBC coverage), where a new park is laid out by former prime minister Bidzina Ivanishvili. To give his park more ‘body’, mature trees are imported from elsewhere -nothing new in landscape architecture. One of these trees, a Tulip tree of around 100 years old, was uprooted in the west of the country. Its transport by boat over the waters of the Black Sea provided images such as this:

March 2016 Tulip Tree transport

A 100 year-old Tulip tree is transported over the waters of the Black Sea.

Closer to home, Rotterdam saw the eh… ceremonial launch of a Bobbing Forest in the former harbour basin Rijnhaven. This project by Rotterdam art production collective Mothership is inspired by and a cooperation with Columbian artist Jorge Bakker. It takes a somewhat light-hearted approach to problems associated with climate change: the predicted rise of sea levels and its possible consequences for low lying land -like Rotterdam and much of the Netherlands. Even in today’s storm, the trees seem to cope well with the conditions.
Bobbing Forest

The Bobbing Forest in the Rijnhaven. (photos: HvdE).

Pliny the Elder
Both stories made me think of what Pliny the Elder wrote about this part of the world.1Gaius Plinius Secundus, Naturalis Historia, XVI.2.1. Quoted in: Geert Mak, Ooggetuigen van de Nederlandse geschiedenis in meer dan honderd reportages (Amsterdam 2005), p36-37. According to some sources Pliny was in the area of modern Leiden in AD 47, from where a canal between the rivers Rhine and Maas was made by Roman troops. At the height of their expansion into Northwestern Europe, the Romans managed to occupy the southern half of  what is now the Netherlands. The larger rivers running towards the North Sea formed a natural boundary along which the border (the ‘limes‘) was formed. The river Rhine was also an important trade route. Peoples living to the north were hostile to the Roman occupation, and they often successfully defended their territory against Roman attacks -in which Pliny himself was involved.2Pliny -whether inspired by frustration or disbelief about their resistance to the superior life style of the Romans- described these people as living in swamps, constantly under threat from flooding, being pushed back to (scarce, and often self-built) higher ground for most of the year. To warm themselves they burned dried ‘mud’ (peat), which, according to Pliny, was dried more by the strong winds than by the warmth of the sun.
Pliny was writing about the Chauci, living between the Weser and the Elbe rivers in modern Germany. But the Chauci traveled westward during Pliny’s lifetime, and were environmentically and culturally strongly related to the Frisii, who lived in the northern part of the Netherlands.
To defend themselves against attacks from the north, the Romans created army camps along the border, and they had ships patrolling the rivers.
Pliny notes that at several occasions, Roman sailors thought they were being attacked by enormous enemy ships. In reality, their rigging was wrecked by mature trees, standing on islands floating down the river.3As he wrote: Many is the time that these trees have struck our fleets with alarm, when the waves have driven them, almost purposely it would seem, against their prows as they stood at anchor in the night; and the men, destitute of all remedy and resource, have had to engage in a naval combat with a forest of trees!
Boggy soil, cut loose by high and/or fast floating waters created the islands, only held together by the roots of the trees growing upon them.
 It must have been a majestic sight to see these trees float towards and onto the sea, comparable with the Tulip tree transport on the Black Sea.

Like the Roman attempts to occupy new territory, the Georgian ‘tree grab’ leads to protests from the locals, who may not be satisfied with the promised replanting of trees for compensation. Collecting mature trees from elsewhere for the benefit of a few individuals is not as acceptable as it seems to have been during the 19th and early 20th centuries, when this was fairly common practice among estate owners and landscape architects. That ‘climate’ seems to have also changed.

2000 years

The Rotterdam project is planned to run between five and ten years, but I think that period should be expanded, provided the elm trees can reach some form of maturity in this environment. We could create a modern version of these ancient floating forested islands by cutting loose bobbing forest in a few decades from now. For example in 2047, exactly two millennia after Pliny supposedly roamed these parts and must have heard his soldiers tell those stories.
I like to think this would both commemorate an important period of our history, and be a strong reminder that climate change played a significant role in the decline and fall of the Roman empire.4Provided we still need this reminder by that time. The Frisii were also forced to leave most of their territory in the fourth century AD, because of flooding caused by… rising sea levels.

Rijnhaven Rotterdam

Location of the Bobbing Forest project in the Rijnhaven in Rotterdam.

Footnotes   [ + ]

1. Gaius Plinius Secundus, Naturalis Historia, XVI.2.1. Quoted in: Geert Mak, Ooggetuigen van de Nederlandse geschiedenis in meer dan honderd reportages (Amsterdam 2005), p36-37. According to some sources Pliny was in the area of modern Leiden in AD 47, from where a canal between the rivers Rhine and Maas was made by Roman troops.
2. Pliny -whether inspired by frustration or disbelief about their resistance to the superior life style of the Romans- described these people as living in swamps, constantly under threat from flooding, being pushed back to (scarce, and often self-built) higher ground for most of the year. To warm themselves they burned dried ‘mud’ (peat), which, according to Pliny, was dried more by the strong winds than by the warmth of the sun.
Pliny was writing about the Chauci, living between the Weser and the Elbe rivers in modern Germany. But the Chauci traveled westward during Pliny’s lifetime, and were environmentically and culturally strongly related to the Frisii, who lived in the northern part of the Netherlands.
3. As he wrote: Many is the time that these trees have struck our fleets with alarm, when the waves have driven them, almost purposely it would seem, against their prows as they stood at anchor in the night; and the men, destitute of all remedy and resource, have had to engage in a naval combat with a forest of trees!
Boggy soil, cut loose by high and/or fast floating waters created the islands, only held together by the roots of the trees growing upon them.
4. Provided we still need this reminder by that time. The Frisii were also forced to leave most of their territory in the fourth century AD, because of flooding caused by… rising sea levels.
Summary

Twee berichten over drijvende rechtopstaande bomen in een maand tijd, herinnerden mij aan een verhaal over met bomen begroeide drijvende eilanden uit een van de vroegste geschreven bronnen over Nederland. Een project in Rotterdam brengt op deze manier niet alleen de gevolgen van de huidige klimaatverandering onder de aandacht, maar vormt in dat licht bezien mogelijk een herinnering aan de gevolgen van klimaatverandering voor het eens zo machtige Romeinse rijk -en dat van Nederland.

Continue reading

Published: Adriaan Snoek at 18th century Westerhout

My latest article is out in print, and it’s good to see the end result.1H. van der Eijk, ‘Westerhout in Haarlem – zes maanden werk voor Adriaan Snoek’, in: Arinda van der Does en Jan Holwerda (eds), Tuingeschiedenis in Nederland II: Denken en Doen in de Nederlandse tuinkunst 1500-2000 (s.l. 2016), p.105-114 (more info).
This publication doubles as Cascade bulletin voor tuinhistorie, Jaargang 2015 (24), nr. 2 and Cascade bulletin voor tuinhistorie, Jaargang 2016 (25), nr. 1, p105-114.
It concerns the design and layout in 1775-76 of the now lost gardens of Westerhout, in Haarlem.3Not to be confused with the still existing Westerhout in Beverwijk. Once bordering on the west side of the Haarlemmerhout (the large 17th century woodland of late mediaeval origin outside Haarlem’s former southern city gates), this relatively small garden was best known for its beautiful 19th century layout.4The provincial archive in Haarlem has a few excellent photographs in its collection of the garden at the end of that century.
fotoThe 18th century garden of Westerhout, however, has been completely forgotten. That is mainly due to the fact that roughly a century ago the garden has been fully redeveloped, and because plans or descriptions of the garden hardly exist. In this country that particular combination means: no research whatsoever is done.
But the extensive archives of the Brants family, the Amsterdam based merchant family who owned the estate at the turn of the 19th century, revealed some helpful sources to reconstruct developments in the garden around 1775:

  • an account from the architect with dates and work descriptions
  • the owner’s account book
  • dated bills from (sub)contractors or third parties
  • a nondescript overview of dates, names and numbers, often matching the other three sources and at times adding more detail

All combined, these sources provide information about the changes made in this garden over the course of a six month period in 1775-76. The account by architect Adriaan Snoek (1716?-1796) meticulously listed all of his work. It reveals the steps in his design process, it clarifies when he felt the need to be present in person, and which work he left for subcontractors.

Rococo
Snoek was a land surveyor who up till now was only known as a garden designer for two rococo gardens in the area between Haarlem and Leiden -one of which was most probably never executed.2Woestduin (1766), probably not executed; in 1761 Snoek drew two designs for Huis te Bennebroek, of which one was executed. That design, featured in the article, is the most modern of the two -yet still rococo. It is very probable that Snoek designed more gardens than the three found thus far. Design drawings for Westerhout have unfortunately not been found, but the remaining sources fill in the gaps in ways a drawing could never have done. The architects’ account is transcribed in full and included in the article.
Snoek’s design for Westerhout probably contained many rococo features. Snoek was almost 60 years old at this time, so it is no surprise that some old-fashioned features seem to have been present. But it appears it was the much younger owner, Jan Jacob Brants (1741-1813), who commissioned the straight avenue of lime trees leading from the center of the house into the garden. Snoek used mature trees from the existing garden to plant this avenue.

Landscape style
But Brants also commissioned the layout of an English style garden, something Snoek was probably not too familiar with. He presented Brants with two detailed designs (both not found) to choose from. As with all other features, Snoek was present to ‘transfer’ the chosen design into the garden. But where he did most of the planting himself, or at least made sure he was there, he now left that to a specialist: Jacobus Gans.

Chronology
What struck me was that he created a plan of the complete garden (with shading, etc.) within a month after the actual work had started. The two detailed designs for the English garden were created at a later stage. Which means that the sometimes beautiful plans we have of gardens from this period, showing a new layout ‘in full colour’ with shaded trees and shrubs, may not show the definitive design -at least not of all parts of the garden.
I think that is something we have not been fully aware of up till now. Too early for too far-reaching conclusions, though: this was only one detailed account, by only one architect in only one garden.

Some conclusions:

  • Westerhout is now added to the small oeuvre of Adriaan Snoek garden designs: it is the third garden we know he worked on; and only the second known to have been executed.
  • Snoek was a very hands-on designer: at the scene whenever his design had to be laid out in the garden, and when parts of the original layout had to be selected for removal.
  • Landscape style gardens (Engelsch bossie, as he called them) were probably not his forte. Snoek did design this part of the garden, but the actual work was done by others.
  • Snoek was not a nurseryman: all plants had to be purchased from third party vendors. The exception is grass (the lawn-kind, not the other one): he grew that on land outside Amsterdam.
  • Full-blown garden plans from this period, coloured (including ‘shaded’ trees and shrubs), may not show the final design of all parts of the garden.5To which I may add the (subtle) changes made to the design during the execution phase. Arinda van der Does has shown that at least two early 19th century garden-/landscape architects declared in writing, that their designs were subject to changes made while work in the garden was in progress. They specifically mentioned alterations made during planting sessions (a reshuffle of trees and shrubs to accommodate for intended views, or block unwanted ones), and changes made during the removal phase of (part of) an older layout. Arinda van der Does, ‘Toelichting op een negentiende-eeuws ontwerp van H. de Vries & Zoon’, in: Arinda van der Does en Jan Holwerda (eds), Tuingeschiedenis in Nederland II: Denken en Doen in de Nederlandse tuinkunst 1500-2000 (s.l. 2016), p.154.

Westerhout_kaart

Former location of Westerhout in Haarlem. The name ‘Westerhoutpark’ for one of the streets is the only indication that this former estate was located here.

Footnotes   [ + ]

1. H. van der Eijk, ‘Westerhout in Haarlem – zes maanden werk voor Adriaan Snoek’, in: Arinda van der Does en Jan Holwerda (eds), Tuingeschiedenis in Nederland II: Denken en Doen in de Nederlandse tuinkunst 1500-2000 (s.l. 2016), p.105-114 (more info).
This publication doubles as Cascade bulletin voor tuinhistorie, Jaargang 2015 (24), nr. 2 and Cascade bulletin voor tuinhistorie, Jaargang 2016 (25), nr. 1, p105-114.
2. Woestduin (1766), probably not executed; in 1761 Snoek drew two designs for Huis te Bennebroek, of which one was executed. That design, featured in the article, is the most modern of the two -yet still rococo. It is very probable that Snoek designed more gardens than the three found thus far.
3. Not to be confused with the still existing Westerhout in Beverwijk.
4. The provincial archive in Haarlem has a few excellent photographs in its collection of the garden at the end of that century.
5. To which I may add the (subtle) changes made to the design during the execution phase. Arinda van der Does has shown that at least two early 19th century garden-/landscape architects declared in writing, that their designs were subject to changes made while work in the garden was in progress. They specifically mentioned alterations made during planting sessions (a reshuffle of trees and shrubs to accommodate for intended views, or block unwanted ones), and changes made during the removal phase of (part of) an older layout. Arinda van der Does, ‘Toelichting op een negentiende-eeuws ontwerp van H. de Vries & Zoon’, in: Arinda van der Does en Jan Holwerda (eds), Tuingeschiedenis in Nederland II: Denken en Doen in de Nederlandse tuinkunst 1500-2000 (s.l. 2016), p.154.
Summary

Mijn meest recente artikel is net uit, samen met andere mooie artikelen verschenen in de tweede bundel van tuinhistorisch genootschap Cascade, onder de naam Tuingeschiedenis in Nederland. Dit postje geeft kort de inhoud van dat artikel in het Engels weer. Nederlandstaligen die benieuwd zijn naar bronverwijzingen (of gewoon meer willen weten), worden verwezen naar bovengenoemde publicatie.
Vragen stellen aan de hand van dit bericht kan natuurlijk ook, aanvullingen worden helemaal op prijs gesteld.

Continue reading