Subscribe to Posts via:
Email
RSS

Een aantal maanden geleden kreeg ik de vraag of ik wist wanneer de blauwe regen, of Wisteria, populair werd in Nederland. De aanleiding was een praktische: bij de organisatie waar de vragensteller werkt, staat een oude blauwe regen aangeplant, en daar wilde men wel meer over weten.

Eerlijk gezegd had ik geen idee. Ik dacht direct aan de late 19de, begin 20ste eeuw, maar echte bewijzen vond ik er niet zo snel voor. Cottage-stijl, pergola, Wisteria, dat was ongeveer de gedachtegang.
Maar mijn interesse was gewekt, en mijn hopeloos verouderde versie van ‘Boom’ wist alleen te melden dat tussen 1816 en 1820 vanuit Azië verschillende soorten Wisteria in Engeland waren geïntroduceerd.1 Dat zegt niets over Nederland en bovendien is met een introductie van een plant de populariteit nog niet bewerkstelligd. Dus ik was blij om in de loop van de jaren 1850 krantenberichten te vinden, waarin werd gemeld welke kwekers de grootst bloeiende Wisteria’s hadden gekweekt. Er werden zelfs prijzen uitgereikt.2
Ik heb er geen studie van gemaakt, maar als er kwekerswedstrijden worden uitgeschreven, dan schijnt het mij toe dat een plant populair is, of men wil heel graag dat de plant populair wordt. Deze periode zou ook prima passen in de geschiedenis van de organisatie in kwestie.

1817 Glycine sinensisGlycine
Maar die krantenberichten meldden een alternatieve soortnaam, die me ook al bij Boom was opgevallen: Glycine. Deze oorspronkelijke soortnaam werd vanaf de vroege 19de eeuw geleidelijk aan vervangen door Wisteria, maar de oude naam bleef nog wel een tijd in gebruik -zoals dat gaat. Springer gebruikte de naam Glycine in 1919 nog in het beplantingsplan van villa De Beemd in Helmond.3

Even los van de populariteitsvraag, begon bij mij de vraag te rijzen wanneer de Wisteria nu eigenlijk voor het eerst in Nederland te zien was geweest.
Die zoektocht leidde verder terug dan ik in eerste instantie voor mogelijk hield.

Dat andere continent
Waar Boom zich richtte op de uit Azië afkomstige soorten (en waarom niet, onze historische banden met meerdere landen op dat continent zijn sterk), zijn er ook soorten Wisteria afkomstig uit Noord-Amerika. Er is hier sprake van andere historische banden, andere aanvoerroutes, maar aan beide voorwaarden wordt ook hier voldaan.
De hierboven weergegeven afbeelding komt uit Curtis’s Botanical magazine4 en is een uit Azië afkomstige struik. Hij wordt in deze beschrijving Glycine Chinensis genoemd (Chinese Glycine), en duidelijk in dezelfde categorie geschaard als een reeds van Linnaeus bekende soort, de Glycine frutescens. Een vrijwel gelijktijdig verschenen Engelstalige bron schrijft over Glycine dat hij knobbed rooted liquorice heet, maar dat G. frutescens ook wel Carolina kidney-bean tree wordt genoemd.5
Miller’s Dictionary uit 1754 noemt hem ook Glycine en ook hier met de Engelse naam knobbed rooted liquorice. In alle gevallen denk je dan in eerste instantie: daar kunnen ze geen Wisteria mee bedoelen. Maar als je de beschrijving uit 1819 leest, is het helder: we hebben het over dezelfde plant.

De Hortus Cliffortianum
Hoe zit dat dan in Nederland? De Nederlandse vertaling van Philip Millers Dictionary, verschenen in 1745, noemt hem niet. In de eerste catalogus van de kweker Jacobus Gans, uit 1771, staat de Glycine echter wel degelijk genoemd.6 Gans verwijst voor de naamgeving in dit geval naar Linnaeus’ standaardwerk, in zijn woorden Species Plantarum, nouvelle Edition.
Maar bij de naam Linnaeus gaan in Nederland de gedachten direct uit naar De Hartekamp in Heemstede, de plantencollectie van George Clifford aldaar, en Linnaeus’ beschrijving van diens plantencollectie en herbarium in de Hortus Cliffortianum (uitgave 1738). En jawel: op pagina 361 staat hij daarin vermeld.

De Viridarium Cliffortianum
Nu is de Hortus Cliffortianum een overzicht van alle planten die in de tuin stonden, aangevuld met planten uit het zeer uitgebreide herbarium van George Clifford. De vraag die dan nog rest is: was er een levend exemplaar aanwezig, of had hij ‘slechts’ een herbarium-exemplaar?
Gelukkig is er de Viridarium Cliffortianum, een in 1737 verschenen en eveneens door Linnaeus opgestelde lijst van plantensoorten die daadwerkelijk in de tuin van Clifford groeiden.7 Ook daar staat hij in, op pagina 72, als Glycine radice tuberosa -daar zijn die ‘knobbelige wortels’ weer.

Tot slot
Dus de Glycine, ofwel blauwe regen, of Wisteria, was in 1737 in ieder geval fysiek in ons land aanwezig. Dan is de vraag: waar had Clifford deze vandaan, want hij ontving planten uit Noord-Amerika én Azië?
Of er daarna sprake is geweest van veelvuldig gebruik, zal uit onderzoek moeten blijken. Op een lijstje dat meer dan 40 jaar later werd opgesteld, bewaard in het archief van Huis te Almelo, staat hij in ieder geval vermeld: als nr 21, niet helemaal correct geschreven als Glicine, en voorzien van de fraaie Nederlandse naam Booneboom van Carolina.8
1779 Glicine Almelo

Detail van de achterzijde van een lijst met plantennamen in de collectie van Huis Almelo, gedateerd ‘1779’ op de voorkant. Op nr. 21 staat: Glicine [frutescens Carolina], Booneboom van Carolina. Photo: HvdE.

Waarschijnlijk kwam de naam blauwe regen pas toen de plant daadwerkelijk populair werd, mogelijk ook in combinatie met die andere populaire plant, de gouden regen. Het welluidende Booneboom van Carolina uit 1779 staat dan model voor (en tegelijkertijd in contrast tot) de tamelijk geruisloze introductie in ons land van wat later ontegenzeggelijk een mondaine plant zou worden.


  1. Dr B.K. Boom, Nederlandse Dendrologie (Wageningen 1982 -12de druk), p290. [back]
  2. De wedstrijden werden uitgeschreven door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot aanmoediging van den Tuinbouw. De hoofdprijs was een zilveren medaille. In 1856 won M.A.F.H. Hoffman. [back]
  3. Constance D.H. Moes, L.A. Springer. Tuinarchitect, dendroloog 1855-1940 (Rotterdam 2002), p290, als Glycine chinensis. [back]
  4. Vol.46 (1817-1818); het gaat om plaat nummer 2083 en de twee pagina’s tekst met beschrijving erachter. De plant zou drie jaar voor verschijning zijn ingevoerd vanuit China, meegekomen op het schip van ene kapitein Welbank -geheel in lijn met wat Boom meldde. Op het moment van publicatie bevond de plant zich op een buiten genaamd Rooksnest Park, bij Godstone in Surrey. De eigenaar was Charles Hampden Turner, de tuinman die de plant in leven probeerde te houden luisterde naar de naam D. McLeod. [back]
  5. George Gregory, A new and complete Dictionary of Arts and Sciences, vol. 2 (Philadelphia 1819), lemma Glycine. [back]
  6. Naar verwachting verschijnt in het volgende nummer van het Cascade bulletin een artikel van mijn hand over deze kweker, zijn kwekerij en catalogi. Daarin betoog ik dat de niet gedateerde catalogus van Gans, tot nu toe alleen bekend uit het archief van Huis te Almelo, uit 1771 moet dateren (eigenlijk uit december 1770, maar die twee weken negeren we maar, aangezien Gans zelf later ook over zijn catalogus van 1771 spreekt). [back]
  7. Op 20 soorten na, zo schrijft hij in zijn voorwoord, want die waren inmiddels overleden… [back]
  8. Historisch Centrum Overijssel, Toegangsnummer 0214, Archief van Huis Almelo, inv.nr. 1519. Waarschijnlijk staat er Glicine frutescens Carolina, maar door de slechte staat waarin dit hele tere briefje verkeert, is dat niet met zekerheid te zeggen. De status van dit lijstje is onduidelijk. Is het een bestellijst, of een wensenlijst? Of is het om een andere reden opgesteld? [back]
Summary

A question about the popularity of the Wisteria in The Netherlands, led me towards a search for the first occurence of that plant in the country. That search sent me back in time further than I expected: to 1737, George Clifford’s garden at De Hartekamp in Heemstede. Linnaeus’ publications about this garden mention the plant, under its original name Glycine.

As the son of George II’s mistress, Johann Ludwig von Wallmoden grew up in St. James’s Palace in London.1 He was taken there by his mother, Amalie von Wallmoden, who (at the recommendation of Robert Walpole) joined King George II in London in 1737. The boy’s father stayed behind in Göttingen, Germany, where his son would later join him and study. After the Seven Year’s war, during which he rose to the rank of general, Johann Ludwig von Wallmoden relocated to Hanover, to the Wallmoden Schloss, situated between the city and the royal palace of Herrenhausen.2 In the latter half of 1764 Von Wallmoden would embark on his Grand Tour to Italy, where he heard the news of his mother’s death.

1760’s landscape gardens in Hanover
In 1766, the year following his mother’s passing, he started an extensive refurbishment of both the house and garden in Hanover.3 The house is currently known as the Wilhelm-Busch-Museum, the garden has since been reorganized, renamed into the Georgengarten, and turned into a rather dull city park with a few nice (19th century) features.
Von Wallmoden went to Vienna that same year, after being appointed ambassador of Great-Britain at the Imperial Court. The garden he had made for himself back home, a design by Johann Dietrich Heumann, is now known as one of the first German gardens in the landscape style -no surprise, given his childhood.4

Herrenhauser Allee with Georgengarten on the right

Herrenhauser Allee in Hanover in March 2014, with only a small part of the Georgengarten visible through the trees on the right. Photo: HvdE.

Around that same time another citizen of Hanover began to experiment with the new garden style. His name was Jobst Anton von Hinüber, Postmaster (among many other appointments) in the Kurfürstentum Hannover. In 1760 he was appointed Amtsmann of the cloister convent of Marienwerder. At the time, his garden was also called Marienwerder, but is now better known under the name Hinübersche Garten. It lies to the west-northwest of Hanover, on the rive droit of the Leine river. Von Hinüber is thought to have started ‘landscaping’ the garden in 1767, just after Von Wallmoden had begun work on hís garden closer to town. The Hinübersche Garten was once filled with bridges, pavilions, garden seats and many signs with poetic lines (often in English). It is now but a shadow of its earlier splendour, but local volunteers are in the process of reinvigorating the garden.

The so-called Hexenturm, Marienwerder

Hinübersche Garten, the so-called Hexenturm, one of the few remaining structures in the garden. Photo: HvdE.

So it is possible and plausible that these men knew and influenced each other. Both also had first-hand knowledge of gardens in England. Von Hinüber had at first only paid a short visit in 1737, but that was apparently long enough to be inspired: his other garden near Hanover was also laid out in the landscape style.5 In 1776 Von Hinüber returned to England, where he saw Whitton Park and other gardens.6

The lodge Friedrich (zum weißen Pferde)
But there is another connection between both men, that seems to have escaped most writers about this development in Hanoverian garden history: both were Freemasons, and more importantly, they were members of the same lodge.7
Von Hinüber (a generation older than Von Wallmoden) entered the Hanoverian lodge Friedrich in 1749, three years after it was established in 1746. Between 1753-1755 he was ‘Meister vom Stuhl’ in the lodge. In 1755 he became the first Provincial Grand Master of the Kurfürstentum Hannover, a position he would keep until 1765. In the meantime he had also been member of a lodge in Celle, and established another Hanoverian lodge called George. This would in 1765 merge with the lodge Friedrich, to form the lodge Friedrich zum weißen Pferde (the lodge and the name still exist now, 250 years later).8 Von Hinüber’s gardener was Georg Friedrich Dinglinger, himself a Freemason.9

The lodge was still just called Friedrich when Von Wallmoden presided over it as its Worshipful Master, in 1763-64.10 Although Von Wallmoden seems to have been an exemplary figure in Enlightenment Germany, his masonic inclination is never mentioned in relation to his garden.11

Masonic gardens or Freemasons’ gardens?
Does the fact that both men were masons by itself mean that both these gardens can be called ‘masonic gardens’? Certainly not. But the masonic nature of the Hinübersche Garten is being emphasized with force by the Hanoverian lodge, who seem certain they have the necessary information to back up that claim.12
Then again, the men’s first-hand experience of gardens in England; the fact that they were both interested in this new gardening style; and that both had the opportunity to develop and execute extensive garden plans, may be all there is to it. Freemasons could often be seen spearheading developments in all kinds of fields, including gardening. The point here is to show that it seems these two men, members of the same lodge, fulfilled that role in Hanover in the 1760s.

And thus this lodge called Friedrich (zum weissen Pferde), and its members at this time, turn out to be of vital interest for the development of landscape gardening in the German part of the Personalunion. More research into this lodge and its members might reveal more treasures.


  1. Ralf Bormann, ‘Johann Ludwig von Wallmoden-Gimborn’, in: The Hanoverians on Britain’s Throne 1714-1837. Catalogue of the exhibition held in 2014 in the Niedersächsisches Landesmuseum Hannover and Museum Schloss Herrenhausen (Hannover 2014), p.262. He was created Count (Graf) Johann Ludwig von Wallmoden-Gimborn in 1781. [back]
  2. His mother had retreated there in 1761 after George II’s death the year before. [back]
  3. Michael Rohde, ‘Zur Geschichte des Georgengartens und seiner Keimzellen: Wallmodengarten und Wangenheimgarten’, in: „Zurück zur Natur“. Idee und Geschichte des Georgengartens in Hannover-Herrenhausen. Catalogue of an exhibition in the Wilhelm-Busch-Museum (Göttingen 1997), p.11–40. A remark by Von Wallmoden himself indicates that work on the Georgengarten already started in 1761, i.e. when his mother returned from Engeland. The first known design is dated 1766, so it remains uncertain what -if at all- happened earlier. [back]
  4. Earlier landscape gardens in Germany were those at Harbke, and Otto von Munchhausen’s garden at Schwöbber -although the latter didn’t strive or advise to create a landscape garden like the English; his was more an irregular garden filled with rare plant specimens. See: Marcus Köhler: ‘„Wenn wir erst einen ins Wilde angelegten Garten zu sehen gewohnt sind …“. Die frühen Landschaftsgärten von Harbke und Schwöbber.’ In: Die Gartenkunst (5/1993), Heft 1, p.101-125. [back]
  5. This garden at the Posthof was described by Hischfeld in 1785: C.C.L. Hirschfeld, Theorie der Gartenkunst, Fünfter Band (1785), p.197-203. [back]
  6. Hartmut von Hinüber, ‘Jobst Anton von Hinüber – der Schöpfer des Gartens in Hannover-Marienwerder’, in: Der Hinübersche Garten in Hannover-Marienwerder. Eine freimaurerische Anlage (Hannover 2011), p.8-9. [back]
  7. I’m conscious of the fact that a publication mentioning this, may exist -in which case I missed it. It is, for example, possible that Michael Rohde wrote about this in his 1997 ‘Parkpflegewerk‘ for the Hinübersche Garten -which I have not seen. (Michael Rohde, Parkpflegewerk Hinüberscher Garten im Hannover-Marienwerder (Hannover 1997). But it is certain he does not in his history of the Georgengarten in both an exhibition catalogue (Michael Rohde, op.cit. (Göttingen 1997), p.11–40.), nor in a standard work on next-door Herrenhauser Garten (Michael Rohde, ‘Der Georgengarten. Geschichte und Gestaltung.’, in: Marieanne von König (hrgs), Herrenhausen. Die Königlichen Gärten in Hannover (Göttingen 2006), p.221-236. The book about the Hinübersche Garten (see note 12) does not mention the Georgengarten, nor Von Wallmoden. [back]
  8. Hartmut von Hinüber, op.cit., p.9. [back]
  9. Hartmut von Hinüber, op.cit., p.16. The first person to print a description of the Hinübersche Garten was Hirschfeld, whose lengthy description of the garden layout and its features is a good read: C.C.L. Hirschfeld, op.cit., p.204-231 (as Marienwerder). But no word about possible masonic influences here as well. [back]
  10. Ralf Bormann, op.cit. [back]
  11. Not even when one expects it would (at least) get a mention, like here: Gotthardt Früsorge, ‘”Das Wohl der Länder und ihrer Freunde zu befördern”. Graf Johann Ludwig von Wallmoden-Gimborn in lichte der Aufklärung’, in: „Zurück zur Natur“. Idee und Geschichte des Georgengartens in Hannover-Herrenhausen. Catalogue of an exhibition in the Wilhelm-Busch-Museum (Göttingen 1997), p.65-72. [back]
  12. See their publication: Hartmut von Hinüber, Peter Krüger, Siegfried Schildmacher, Der Hinübersche Garten in Hannover-Marienwerder. Eine freimaurerische Anlage (Hannover 2011). It is available in .pdf here. [back]
Summary

Vanwege de ‘Personalunion’ tussen het Britse rijk en het Keurvorstendom Hannover waren de onderlinge banden tussen 1714 en 1837 bijzonder sterk. Toch duurde het ook in het Duitse deel van de unie -net als in Nederland- tot in de 1760-er jaren, voordat de landschapsstijl doorbrak. Twee voortrekkers van de stijl in Hannover blijken tevens vrijmetselaar te zijn geweest, en bovendien lid van dezelfde loge.

In juli 1763 ondernam Anna Maria de Neufville* een ‘Gelders Ryssie’, samen met haar vader Jan Isaac de Neufville en de heer en mevrouw Roos. Anna Maria hield een dagboek van dit reisje bij.1 Op zaterdag 16 juli kwam het gezelschap aan in Arnhem, waar zij logeerden bij de burgemeester van de stad, Jan Nanning van der Hoop. Uiteraard konden zij er niet omheen -als ze dat al hadden gewild- om het bij Oosterbeek gelegen buiten van de burgemeester te bezoeken. De dag na aankomst in de stad rustte het gezelschap eerst even uit, at vroeg en ging daarna op weg naar de Hemelse Berg.
De beschrijving van dit bezoek op zondag 17 juli 1763 is heel summier, en karakteristiek achttiende-eeuws gezien de ontbrekende leestekens, maar ik geef hem hier toch vanwege het opvallende detail dat de jonge Anna Maria noemt:

(…) den Hemelsche Berg ‘t welke zeer schoon is dog zonder opschik met verrukkelijke gezichten onder andere een tuynhuyssie dat op een berg staat waar van men behalve verschyde dorpe Cleef, Nimwegen en den eltener Berg kan zien (op hetselve tuynhuyssie is een secreet met een fontyn daar in) -ons op die plaats wel gediverteert hebbende arriveerde wy te 8 uur weer te arnhem.

Monument op de Hemelse BergAbraham van der Hoop had in 1735 een herenhuis laten plaatsen op zijn buiten, en dat er een koepel met uitzicht naar alle zijden op de top van de berg werd gebouwd, was natuurlijk volkomen normaal. Toen zijn zoon Jan Nanning van der Hoop in 1763 eigenaar van de Hemelse Berg was, stond deze er dus nog steeds.2
Maar stromend water op de top van een berg was bijzonder. Een secreet bij een tuynhuyssie (belvedère, of koepel) was dat mogelijk eveneens.

In 1896 werd op deze plaats een gedenkzuil opgericht, voor de familie die destijds eigenaar was van de Hemelse Berg.3 Van enig uitzicht is geen sprake meer.

*De term ‘secreet’ uit de titel verwijst op geen enkele wijze naar de schrijfster van dit reisdagboekje. Ik gebruik de term slechts, net als zij deed, om de op de berg aanwezige voorziening te benoemen.


  1. Stadsarchief Amsterdam, toegang 88, Archief van de familie Brants en aanverwante families, inv.nr. 168. [back]
  2. De kadastrale minuutplan uit 1818 gaf op deze plaats nog steeds een achthoekige koepel op een kruising van lanen aan. [back]
  3. Gemaakt door H. Hutjens in opdracht van de burgerij van Oosterbeek. (Zie bijvoorbeeld: Ronald Stenvert, Chris Kolman, Sabine Broekhoven, Ben Olde Meierink en Marc Tenten, Monumenten in Nederland. Gelderland. Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist / Waanders Uitgevers, Zwolle 2000, p.270.) De auteur Johannes Kneppelhout (pseudoniem: Klikspaan) was van 1847 tot zijn overlijden in 1885 eigenaar geweest van de Hemelse Berg. Zijn vrouw Ursula Martha Kneppelhout-van Braam bleef dat tot haar dood in 1919. [back]
Summary

Not far from the Airborne-museum in Oosterbeek, near Arnhem, are the remains of the former estate ‘de Hemelse Berg’ (Heavenly Hill). A pavilion was built on top of one of the highest hills in the park. It did not only offer pleasant views to the surrounding countryside, but also a restroom with running water, a traveler noted in 1763. The same spot is now occupied by a late 19th century monument, dedicated to the family who at the time owned the estate.

The year ends well, with the latest issue of PorteFolly waiting for me when I came home yesterday. Among all other interesting articles in this publication of the DonderbergGroep, the Dutch foundation for Follies and other garden buildings, there is one by me. The article is a reworking of this earlier blogpost.

It revolves around my discovery of the architect of the ‘ruin’ in the park of Huys ten Donck, Giovanni Giudici (who signed his name as: Jan Giudici). There are more results to come in the near future, so sifting trough -in this case- 29 piles of receipts (like the one below) does yield results.


Receipts, still stored in the archive of Huys ten Donck, reveal that Giudici (1746-1819) designed the ruin, and built it in 1777. It was finished with a layer of stucco, something we did not know before.
The article also touches upon the possibility that Giudici may have designed some stucco decorations in Huys ten Donck itself. That is for specialists to pursue.

Thank you all for visiting and for showing interest over this past year. I wish you all a productive and joyous 2015.

Summary

Ter gelegenheid van het verschijnen van mijn laatste publicatie: Van der Eijk, H.; ‘Jan Giudici, ontwerper van de ruïne in het park van Huys ten Donck’, in: PorteFolly nr.41 (winter 2014), p17-20.

Although architect John Carr (1723-1807) designed the Hospital Santo António in Porto, Portugal, it has been uncertain whether he ever left the British Isles. He did not for the (1769) Porto commission, it seems. But it has been suggested he did sail to the continent in 1771. Wragg and Worsley write in their monography on John Carr:

A mysterious, and irritatingly unsupported, reference in 1771 suggests that Carr may have visited France.1

Their reference can in part be relieved from its ‘irritatingly unsupported’ qualification: I happened upon a reliable reference that locates Carr on the continent, in that same period of the year. Whether Carr actually went to France, remains uncertain, but it is clear that he was going to visit Holland, probably The Hague.
The reference Wragg and Worsley have, is from a letter dated 30 May 1771:

Mr. Carr is gone (I believe) to France.2

The reference I found is dated two and a half weeks later. On 17 June 1771, Lord Holdernesse wrote to Hendrik Fagel in The Hague, informing him that Carr was going to pay a short visit to Holland. Holdernesse asked Fagel to offer support in order to make his stay in Holland as comfortable as possible:

I beg leave to recommend to your favour and protection my Friend, Mr. Carr, who had the overlooking and management of all my Buildings both at Hornby and Aston. he is a very worthy and very sensible Man, and is taking a short ramble out of England for the first time in his Life. Your Favour and Countenance to Him will be a great Obligation to me. his stay in Holland will be so very short, that he will give you very little Trouble.3

NPG 4062; John Carr by Sir William BeecheyThe timing of both letters suggests that Carr had already left England at the end of May, and still had to visit Holland two and a half weeks later. That leaves room for a visit to -at least- cities in Belgium, like Ghent, Antwerp and Brussels, before travelling north. But it also leaves room for a (very) short visit to Paris during the first weeks of June.

Some of the mystery remains, because we don’t know anything about his route, or how long his ‘short ramble out of England’ was going to last. It is also not clear why Carr visited the continent, who he was going to meet in Holland, and what he saw. It seems obvious he was not coming to Holland to visit Fagel: in that case the wording would have been different.

John Carr, after 1790 by Sir William Beechey
(© National Portrait Gallery, London).

But architect John Carr’s visit to the continent in 1771 is now confirmed. And we now know for certain that he had not travelled there before.


  1. Brian Wragg [edited by Giles Worsley], The life and works of John Carr of York (York, 2000), p49. [back]
  2. Wragg/Worsley, p49. This letter was written by John Grimston’s agent, from where and to whom is unclear. [back]
  3. Nationaal Archief, Den Haag, Collectie Fagel, nummer toegang 1.10.29, inventarisnummer 4593. [back]
Summary

Afgezien van een opdracht om in Porto een ziekenhuis te ontwerpen, verbleef en werkte de architect John Carr voornamelijk in de noordelijke regio’s van de Britse eilanden. De intrigerende mededeling dat hij in 1771 naar Frankrijk was afgereisd kon nooit worden bevestigd.
Dat lukt na deze post ook nog niet, maar duidelijk is wel dat hij in dat jaar Nederland bezocht, vrijwel zeker Den Haag. De reden waarom, blijft een raadsel.

Earlier this year I wrote about the use of the phrase 13 shire view. I connected an early 17th century poem in which it was mentioned, with late 18th century descriptions of the view from the column at Hawkstone Park -as ’13 county view’. And asked (myself, as it turned out) whether that 13 shire (or 13 county) view could be a regular theme in English landscape descriptions, or whether this short line from the 1611 poem by Aemelia Lawnyer still resonated almost two centuries later.

Eagles Nest

Eagles Nest, view over the river Wye and the Severn. Photo: Peter Turvey (click to see the original on flickr).

Today I found the phrase again, also used in the late 18th century. It is mentioned in the description of a view 2 miles north of Chepstow, Monmouthshire, Wales.1 The author is Amelia Clark, great-niece of celebrated Yorkshire architect John Carr, who accompanied her on a tour through the country in 1796.2 Coming from Gloucester they crossed the Severn on a September morning and travelled into Wales to the town of Monmouth to have breakfast. Afterwards they traveled south along the banks of the winding river Wye to Chepstow, a known ‘beautiful & picturesque’ route at the time. Although Amelia liked the landscape around Lake ‘Windermeer’ better in those respects, she singled out one view:

The road from Monmouth to Chepstow is very mountainous with many noble views; particularly at two miles distance from Chepstow there is the most extensive and animated view in the Kingdom. You see distinctly into thirteen counties, through the Center of which the sublime Severn Rolls with Majestic grandeur.

The setting she describes is comparable to the one in the photo above: the view from Eagles Nest just east of St. Arvans. The view from the road (which lies lower than Eagles Nest) is now blocked by trees, I assume this was not the case when she travelled there.
So, apart from showing that she knows how to use all the fashionable words to describe landscapes -beautiful, picturesque, noble, sublime (even the unusual majestic), she also refers to that phrase ’13 county view’.

I am still wondering how common this phrase was at the time. Especially after finding a (recent?) use of it in relation to the Hill of Tara, in Ireland. Is it just a common expression that I -as a foreigner- think is special?


  1. Corita Myerscough [ed.], ‘Amelia Clark’s Journal of the Tour made in the year 1796′, in Uncle John Carr. The Diaries of his Great-nieces, Harriet and Amelia Clark (York Georgian Society, 2000), p48. [back]
  2. During this trip, he visited many locations he had already seen the year before with her elder sister. As their stories are often the same, it is clear he was showing the young girls around. They were often visiting places where he himself had worked, so he obviously knew most of the places already. [back]

Een tijd geleden alweer deelde ik de door de Leidse kwekerij Van Hazen en Valkenburg Comp in 1771 genoteerde aanwijzingen voor het planten van een magnolia met enkele aanwezigen op een dag over tuinarcheologie. Uit het feit dat het blijkbaar de bedoeling was dat de aardewerken pot twee jaar na aanplant in de grond kapot werd geslagen, putte ik de hoop dat soms, misschien, een dergelijke pot nog wel gevonden kon worden -met of zonder magnolia.
De kans dat je aardewerk opspoort ís natuurlijk al vrij klein, en een van de gesprekspartners maakte die hoop nog kleiner: hij bracht de toepassing van een stobbenfrees ter sprake.

Een stobbenfrees

Mijn tegenwerping was dat die natuurlijk nog niet zo heel erg lang worden gebruikt, voor mijzelf de hoop levend houdend dat het vinden van dergelijke kapotgeslagen potten een aanwijzing zou kunnen zijn voor de oorspronkelijke plaats waar een magnolia had gestaan. Ook al zou de plant zelf misschien volkomen verdwenen zijn, ook onder de grond.

Vandaag ondervond die hoop een nieuwe tegenslag, door een mij tot nu toe onbekende methode om boomstobben en dieper liggende wortelstelsels voorgoed te verwijderen: opblazen met buskruit. De methode werd in het voorjaar van 1777 blijkbaar toegepast in Hannover, ter voorbereiding van wijzigingen in de aanleg van wat nu de Georgengarten heet.1

Het zal geen wijdverbreide methode zijn geweest, maar effectief is hij wel. En vrij funest voor het terugvinden van resten van de aardewerken pot, waarin de kostbare plant in eerste instantie was geplant. Ik heb geen idee of deze methode ooit in Nederland is toegepast, maar vermoedelijk wel: als het werkte, dan gebeurde het ook. De eigenaar van de tuin was overigens opgegroeid in Engeland, dus misschien kwam het gebruik daar vandaan?

Nieuwe droom: eens komt de dag waarop we aan de hand van buskruitsporen, en de concentraties daarvan in de grond, de oorspronkelijke locatie van lang geleden verwijderde bomen zullen kunnen herkennen. Dan de datering nog. Wat is de halfwaardetijd van ontploft buskruit?


  1. Michael Rohde: ‘Zur Geschichte des Georgengartens und seiner Keimzellen: Wallmodengarten und Wangenheimgarten’ in: „Zurück zur Natur“. Idee und Geschichte des Georgengartens in Hannover-Herrenhausen. Ausstellungskatalog Göttingen, 1997, p16. [back]
Summary

Just read about this today: an odd way of removing tree stumps and unwanted big root systems. By blasting them out with gun powder. In Hanover, 1777. The garden’s owner was raised in England. Was this common practice in Germany or England, halfway the 18th century?

Vaak -niet altijd- is geduld hebben een goede zaak. In dit geval was het wachten op de vondst van een tweede ansichtkaart van Den Alerdinck de moeite waard: de vraag die de eerste ansichtkaart had opgeroepen, werd deels beantwoord.

De eerste kaart1 was deze:
Den Alerdinck - Brug
Op de wat duistere kaart staat een waarschijnlijk 19de eeuwse, vlakke brug, met aan beide zijden 7 palen of balusters. De middelste ervan steken boven de rest uit, zijn vierkant en hebben een afwijkende bekroning. De overige zijn sierlijker en grotendeels middels houtdraaiwerk vervaardigd. De ‘leuning’ bestaat uit een metalen ketting opgebouwd uit grote schakels. alerdinckWetende dat er naast de driepuntsbrug ten noorden van het huis ook een gewone brug was getekend op de kadastrale kaart van Zwollekerspel, denk je al snel: dat is ‘m!

Maar de brug lijkt na 1830 gemaakt, dus lang ná de opmeting van deze kaart. En het feit dat er op dit moment op die plaats ook een brug ligt, zegt niet zoveel. Bovendien staat de andere helft (en het huis!) van Den Alerdinck op de kadastrale kaart van Heino, dus het beeld is hier niet compleet.

Den Alerdinck -brug andere hoek- of andere brug

Schermafbeelding 2014-08-14 om 00.34.16

Pas veel later vond ik bovenstaande ansichtkaart.2 De brug lijkt dezelfde opbouw te hebben, hoewel maar een deel ervan zichtbaar is en de middelste, waarschijnlijk hogere, baluster buiten beeld valt. Omdat het huis op de achtergrond zichtbaar is, wordt duidelijk dat dit niet de brug is die ik oorspronkelijk in gedachten had. Deze brug ligt ten zuiden van het huis, over een slingerende waterloop die uitkomt op de huisgracht.3

Zie bovenstaand schema, waarbij de pijl de blikrichting aangeeft van de fotograaf van de tweede ansichtkaart en het paarse ovaal de locatie van de brug. Toen de kadastrale kaart werd opgemeten, lag er dus nog geen brug op die locatie.

De eerste ansichtkaart geeft zo weinig informatie over de omgeving, dat het best een foto van dezelfde zuidelijke brug kan zijn. Ik vermoed dat er twee identieke bruggen lagen. Waarschijnlijk dateren de bruggen uit de tijd van de Van Dedems, eigenaren vanaf 1868, en lagen ze er nog tot ver na 1949 toen Den Alerdinck werd verhuurd en gebruikt als conferentieoord en vormingscentrum.4 De brug die nu ten noorden van het huis ligt is een saai, ongeïnspireerd ding, niet veel meer dan een houten constructie die het mogelijk maakt om van de ene naar de andere oever te komen. Of er ten zuiden van het huis nog een brug ligt, weet ik niet.

Is het een idee om deze oude bruggen weer te laten maken, en daarmee het park nog iets meer te doen lijken op dat wat het ooit was: een fraai park bestemd voor het maken van een aangename wandeling? Er zijn in Heino en omgeving vast timmerlieden, smeden en houtbewerkers te vinden die in staat zijn deze brug(gen) te reconstrueren.
Beide locaties liggen op dit moment op terrein dat alleen toegankelijk is voor gebruikers en gasten van Den Alerdinck. Het risico op vandalisme is dus klein.


  1. De gedrukte tekst op de achterkant luidt: Vormingscentrum “Den Alerdinck” Laag Zuthem (Ov.), een ‘Eigen uitgave’ gedrukt bij ‘fodru’ in Gouda. Datering waarschijnlijk 1961-1969 (zie noot 4). [back]
  2. Hier luidt de gedrukte  tekst op de achterzijde: Ned. Herv. Kamp- en Conferentieoord “Den Alerdinck” Heino (post Laag Zuthem). Op de plaats waar de postzegel zou hebben moeten zitten -de kaart is niet gelopen- staat Echte foto. Datering waarschijnlijk 1949-1961 (zie noot 4). [back]
  3. De noordzijde van het huis heeft veel minder ramen dan de zuidgevel, waarin het ritme van de raamverdeling van de lange zijden is voortgezet. Hier is duidelijk de hoek van het huis te zien, en ook dat zowel de lange als de korte gevel ramen bevatten. We kijken hier dus vanuit het zuidwesten naar het huis. [back]
  4. De ansichtkaarten zelf geven enige informatie: de donkere kaart die ik in bezit heb is in 1970 verzonden, maar het is onbekend wanneer de foto is genomen en of de brug er toen nog lag. De summiere tekst op de achterzijde geeft daar geen uitsluitsel over. De kaart met het huis erop is niet gelopen en bevat ook anderszins geen aanwijzing voor een datum van opname, maar dateert waarschijnlijk van vóór 1961, toen het een vormingscentrum werd. De gedrukte teksten op de achterzijde geven een indicatie.
    Van het vormingscentrum bestaat een (niet door mij geraadpleegd) archief dat wordt bewaard in het Historisch Centrum Overijssel, toegangsnummer 0335, inv.nr. 415. Dit beslaat de periode 1962-1969. Het vormingscentrum vormde onderdeel van de Culturele Raad voor Overijssel, die in 1961 was opgericht en in 1971 werd geherstructureerd. Deze organisatie was opvolger van de Commissie voor Culturele Vraagstukken en de Culturele Sectie -op haar beurt opgericht in 1949, onderdeel van de Stichting Overijssel voor Sociaal en Cultureel werk. Gedurende de periode 1949-1961/2 wordt Den Alerdinck vaak aangemerkt als conferentieoord. [back]
Summary

Two postcards of Den Alerdinck show bridges (or just one of them from different angles) that once adorned the garden. The postcards are roughly dated 1949-1969, whether the photo’s were taken in this period is uncertain. The bridge(s) are probably built in the late 19th century, but that is a (my) wild guess. In stead, there is now a bland bridge that merely serves to get you to the other side -minimalist and dull.

The location where this bridge (or bridges) was, is currently private property and can only be used by the owners and their guests. If the chance of vandalism is this small, why not recreate these bridges in the spirit of the previous owners of the estate?

Older posts »