Subscribe to Posts via:
Email
RSS

Vaak -niet altijd- is geduld hebben een goede zaak. In dit geval was het wachten op de vondst van een tweede ansichtkaart van Den Alerdinck de moeite waard: de vraag die de eerste ansichtkaart had opgeroepen, werd deels beantwoord.

De eerste kaart1 was deze:
Den Alerdinck - Brug
Op de wat duistere kaart staat een waarschijnlijk 19de eeuwse, vlakke brug, met aan beide zijden 7 palen of balusters. De middelste ervan steken boven de rest uit, zijn vierkant en hebben een afwijkende bekroning. De overige zijn sierlijker en grotendeels middels houtdraaiwerk vervaardigd. De ‘leuning’ bestaat uit een metalen ketting opgebouwd uit grote schakels. alerdinckWetende dat er naast de driepuntsbrug ten noorden van het huis ook een gewone brug was getekend op de kadastrale kaart van Zwollekerspel, denk je al snel: dat is ‘m!

Maar de brug lijkt na 1830 gemaakt, dus lang ná de opmeting van deze kaart. En het feit dat er op dit moment op die plaats ook een brug ligt, zegt niet zoveel. Bovendien staat de andere helft (en het huis!) van Den Alerdinck op de kadastrale kaart van Heino, dus het beeld is hier niet compleet.

Den Alerdinck -brug andere hoek- of andere brug

Schermafbeelding 2014-08-14 om 00.34.16

Pas veel later vond ik bovenstaande ansichtkaart.2 De brug lijkt dezelfde opbouw te hebben, hoewel maar een deel ervan zichtbaar is en de middelste, waarschijnlijk hogere, baluster buiten beeld valt. Omdat het huis op de achtergrond zichtbaar is, wordt duidelijk dat dit niet de brug is die ik oorspronkelijk in gedachten had. Deze brug ligt ten zuiden van het huis, over een slingerende waterloop die uitkomt op de huisgracht.3

Zie bovenstaand schema, waarbij de pijl de blikrichting aangeeft van de fotograaf van de tweede ansichtkaart en het paarse ovaal de locatie van de brug. Toen de kadastrale kaart werd opgemeten, lag er dus nog geen brug op die locatie.

De eerste ansichtkaart geeft zo weinig informatie over de omgeving, dat het best een foto van dezelfde zuidelijke brug kan zijn. Ik vermoed dat er twee identieke bruggen lagen. Waarschijnlijk dateren de bruggen uit de tijd van de Van Dedems, eigenaren vanaf 1868, en lagen ze er nog tot ver na 1949 toen Den Alerdinck werd verhuurd en gebruikt als conferentieoord en vormingscentrum.4 De brug die nu ten noorden van het huis ligt is een saai, ongeïnspireerd ding, niet veel meer dan een houten constructie die het mogelijk maakt om van de ene naar de andere oever te komen. Of er ten zuiden van het huis nog een brug ligt, weet ik niet.

Is het een idee om deze oude bruggen weer te laten maken, en daarmee het park nog iets meer te doen lijken op dat wat het ooit was: een fraai park bestemd voor het maken van een aangename wandeling? Er zijn in Heino en omgeving vast timmerlieden, smeden en houtbewerkers te vinden die in staat zijn deze brug(gen) te reconstrueren.
Beide locaties liggen op dit moment op terrein dat alleen toegankelijk is voor gebruikers en gasten van Den Alerdinck. Het risico op vandalisme is dus klein.


  1. De gedrukte tekst op de achterkant luidt: Vormingscentrum “Den Alerdinck” Laag Zuthem (Ov.), een ‘Eigen uitgave’ gedrukt bij ‘fodru’ in Gouda. Datering waarschijnlijk 1961-1969 (zie noot 4). [back]
  2. Hier luidt de gedrukte  tekst op de achterzijde: Ned. Herv. Kamp- en Conferentieoord “Den Alerdinck” Heino (post Laag Zuthem). Op de plaats waar de postzegel zou hebben moeten zitten -de kaart is niet gelopen- staat Echte foto. Datering waarschijnlijk 1949-1961 (zie noot 4). [back]
  3. De noordzijde van het huis heeft veel minder ramen dan de zuidgevel, waarin het ritme van de raamverdeling van de lange zijden is voortgezet. Hier is duidelijk de hoek van het huis te zien, en ook dat zowel de lange als de korte gevel ramen bevatten. We kijken hier dus vanuit het zuidwesten naar het huis. [back]
  4. De ansichtkaarten zelf geven enige informatie: de donkere kaart die ik in bezit heb is in 1970 verzonden, maar het is onbekend wanneer de foto is genomen en of de brug er toen nog lag. De summiere tekst op de achterzijde geeft daar geen uitsluitsel over. De kaart met het huis erop is niet gelopen en bevat ook anderszins geen aanwijzing voor een datum van opname, maar dateert waarschijnlijk van vóór 1961, toen het een vormingscentrum werd. De gedrukte teksten op de achterzijde geven een indicatie.
    Van het vormingscentrum bestaat een (niet door mij geraadpleegd) archief dat wordt bewaard in het Historisch Centrum Overijssel, toegangsnummer 0335, inv.nr. 415. Dit beslaat de periode 1962-1969. Het vormingscentrum vormde onderdeel van de Culturele Raad voor Overijssel, die in 1961 was opgericht en in 1971 werd geherstructureerd. Deze organisatie was opvolger van de Commissie voor Culturele Vraagstukken en de Culturele Sectie -op haar beurt opgericht in 1949, onderdeel van de Stichting Overijssel voor Sociaal en Cultureel werk. Gedurende de periode 1949-1961/2 wordt Den Alerdinck vaak aangemerkt als conferentieoord. [back]
Summary

Two postcards of Den Alerdinck show bridges (or just one of them from different angles) that once adorned the garden. The postcards are roughly dated 1949-1969, whether the photo’s were taken in this period is uncertain. The bridge(s) are probably built in the late 19th century, but that is a (my) wild guess. In stead, there is now a bland bridge that merely serves to get you to the other side -minimalist and dull.

The location where this bridge (or bridges) was, is currently private property and can only be used by the owners and their guests. If the chance of vandalism is this small, why not recreate these bridges in the spirit of the previous owners of the estate?

In the summer of 2010 I expressed my dislike of clearly visible corten steel edges in restored or recreated garden parterres. In a comment to that post some very good suggestions were made to better conceal the steel rims (by either letting the young plants grow a bit, or raise the level of gravel). My chosen example of Het Park admittedly consisted of only young planting at the time, so the suggestion that these parterres needed more time to fully mature made sense.1

I still don’t think these edges are visually appealing, so I was curious how Het Loo would deal with this issue. Here they restore, replace and recreate the parterres surrounding the house. Initially forced by box disease and a leaking irrigation system, but also inspired by new insights and knowledge, resulting in markably lower and thinner hedges.2 The last phase of that process has begun this September, thus ending the unique combination of newly restored parterres in the west half, and the old parterres in the east half of the lower garden, that could be seen this year.

So. How does Het Loo conceal the corten steel rims in their parterre? They do not.

In fact, Het Loo takes the whole thing two steps further by not only displaying these rims in full sight, but by also using them as guiding rails for the cutters. A ‘slider’ is attached at the end of a stick, on which either a vertical or horizontal cutting blade is mounted. This slider is placed on the corten steel edge, which thus functions as a rail.
The cutter is switched on and the gardener commences his stroll among the hedges: parterre hedge clipping 2.0 in full swing.

The result in the Koninginnetuin (recreated last winter) looks like this (click to enlarge).
Hedges end well within the confines of the steel boundaries. Because this vertical rim functions as a rail, and the distance between rail and hedge is fixed by the way the cutter is constructed, this is how the parterre is going to look ‘forever’.
The hedges will of course mature and fill up more, but there is no room for them to gradually grow beyond the set width and (maybe) cover the steel. The soil and gravel can’t be raised to level with the edge of the steel rim, because that would compromise the smooth running of the slider guiding the cutting blades along the hedges.

This is it then. These eyesores are here to stay, clearly visible and more out in the open than ever. Practical reasons for doing so have clearly won over the -well: my :-)- aesthetic preference of experiencing a garden without having the actual construction of garden elements thrown in one’s face; and without seeing the tricks which enable gardeners to maintain the garden’s well-kept image.

Aesthetics is just one element of gardening. The cost of maintenance is (and has of course always been) an important factor. And let’s not forget about some health issues that gardeners at Het Loo will not have to face anymore, because they can keep their backs straight while clipping some 25 kilometers of hedges.
But still…

Edited @ September 28th, 2014 for spelling, a wrong link and a missing link.


  1. The corten steel in Het Park is still ugly, by the way. Four years of maturing has not helped at all. The same comment suggested it would be almost impossible to spend so much money on corten steel edgings, just to have them disappear completely. I think that is hardly an argument to create something visually unappealing. [back]
  2. A few images pointing in that direction can be seen here: Cascade weblog. [back]
Summary

In de Benedentuin van Paleis Het Loo wordt op dit moment de laatste hand gelegd aan de recreatie van de parterres. De figuren zijn gelegd in corten-staal, en op basis van nieuwe kennis over de oorspronkelijke situatie worden de haagjes lager en smaller dan voorheen het geval was.
De corten-stalen randen zijn wat mij betreft veel te goed zichtbaar, en helaas heeft dat ook praktische redenen: ze dienen als rails voor het vrijwel geheel gemechaniseerde knipproces. Wat mij betreft had die stalen rand minder zichtbaar gekund, maar de praktische voordelen zijn onmiskenbaar.
Toch jammer.

Onlangs vond ik een fraaie rekening in het archief van Huys ten Donck. De rekening dateert van 23 april 1771, is afkomstig van de Leidse kwekersfirma Van Hazen Valkenburg & Comp en betreft de levering van twee bomen op 4 maart van dat jaar.1 Het gaat om een magnolia en een rode ceder (‘Cupressus virg fol acacia deciduis’).2 Die bomen lijken bijna bijzaak, vergeleken met de ruimte die is ingeruimd voor een beschrijving van de juiste methode om één van hen, de magnolia (‘no 4 de notre catalogue’), te planten.3

Dat advies is te mooi en bijzonder om voor mezelf te houden:

(…), maar de magnolia moet uEgs; met pot en al soo in de gront laaten setten en laten hem een of twee jaar soo staan dan kunt uEgs de pot in de gront laten stuk slaan dan twiffele niet of sullen alle beijde heel wel groijen, (…)

Plantadvies 1771

Beide bomen werden in pot geleverd, wat voor het vervoer lastig moet zijn geweest. Het voornaamste verschil in plantmethode van de ‘Cupres’ en de magnolia was dat de laatste met pot en al moest worden geplant. Deze bomen behoorden in deze tijd tot de duurste exemplaren die men kon kopen -op deze rekening alleen al is te zien dat de magnolia met een prijs van 12 gulden vier keer zo duur is als de ceder. En aan dat prijskaartje hing blijkbaar ook nog het risico dat de plant mogelijkerwijs helemaal niet zou aanslaan wanneer hij niet volgens instructie was geplant.

De Nederlandse vertaling van Philip Miller’s Gardeners Dictionary, uit 1745, volgt de oorspronkelijke tekst op dit gebied. Daar is het advies weliswaar om de bomen de eerste een of twee jaar (na het zaaien!) in een pot te planten, opdat de tere jonge planten wanneer nodig ook weer makkelijk op een beschutte plaats gezet konden worden. Maar uiteindelijk moesten zij toch uit de pot genomen worden en in de volle grond geplant.4

Uit het advies blijkt dat een magnolia een speciale behandeling behoefde. Blijkbaar waren de ervaringen met deze bomen niet altijd positief geweest. Groeninx van Zoelen had in 1769 een ‘Engels bosje’ aan laten leggen, mogelijk kende hij uit eigen ervaring de gevolgen van het op onjuiste wijze planten van magnolia’s.
In ieder geval waren de inzichten veranderd in de 25 jaar na het verschijnen van Millers boek. Of er ook risico’s waren verbonden aan het na twee jaar in de grond stukslaan van de pot, vermeld het verhaal niet.


  1. Stadsarchief Rotterdam, Toegang 30, Archief van het Huys ten Donck te Ridderkerk, inv.nr. 1331 [kwitanties betaald in het jaar 1771]. De naam van Groeninx van Zoelen ontbreekt, en de betaling komt ook niet voor in het kasboek van Huys ten Donck. Toch lijkt het feit dat deze in een dikke stapel kwitanties uit hetzelfde jaar in het archief van Huys ten Donck wordt bewaard voldoende aanleiding te denken dat het een levering tbv Huys ten Donck was. De firma was er geen onbekende: in november 1769 werd ‘Valkenburg te Leyde’ al betaald voor een levering van bomen -dit keer wel een kasboekvermelding, helaas geen rekening of kwitantie. [back]
  2. De huidige naam is Juniperus virginiana. Philip Miller noemt hem Cupressus Virgininia, foliis acaciæ deciduis in de 1754 versie van zijn Gardeners Dictionary, vrijwel identiek aan deze rekening. John Evelyn noemde hem overigens ook al zo in zijn ‘Sylva’ (1664), de Engelse naam is daar ‘The deciduous cypres’. [back]
  3. De firma Van Hazen Valkenburg had verschillende catalogi in omloop in deze tijd, ik ben er nog niet achter naar welke catalogus deze vermelding verwijst -en dus ook niet om welke magnolia het precies gaat. [back]
  4. Groot en algemeen kruidkundig woordenboek, etc. (Leiden 1745), p524. [back]
Summary

A bill concerning the delivery of two trees in 1771 for Huys ten Donck reveals a specific method for the planting of magnolias. They had to be planted in the pot they were delivered in. After one or two years this pot should then be broken, while in the ground.

Philip Miller originally suggested to keep the plant in pots for the first two years (after sowing), so the tender young plants could be brought in when necessary during those first years. After that, they went into the ground, pot-less.

Apparently the succes rate of newly planted magnolias had been below expectation. Magnolias ranked under the most expensive garden plants of the time, so losing one of those was a costly and frustrating affair. Twenty-five years after the Dutch translation of Miller’s work was published, their planting method in the Netherlands had changed -probably as a result of that.

The recent discovery of a whale in the middle of a 17th century Dutch painting in the collection of the Fitzwilliam Museum in Cambridge, made me think of the following.

Schelluinderberg in 2013The small village where I grew up is home to a lovely 16th century ‘hunting lodge’ in the so-called Dutch renaissance style. During my childhood, the owners were known as the family of a former captain of the last Dutch whaling factory ship, the Willem Barendsz. Two items in the garden refer to that: a rather conspicuous deck mounted harpoon launcher, pointed away from the house; and a garden arch formed by two jaw bones of a Continue Reading »

Summary

De walvisbank die ooit in de tuin van Groenendaal in Heemstede stond, was een van de bekendste uit kaakbeenderen van walvissen opgebouwde tuinornamenten. Als datering wordt het begin van de 19de eeuw aangehouden, op het moment dat Adriaan Elias Hope eigenaar was van zowel Bosbeek als Groenendaal.
In de late jaren 1780 zien we aanwijzingen voor een hechte band tussen de moeder van Adriaan Elias Hope, de uit Rotterdam afkomstige Philippina Barbara van der Hoeven, en de eveneens in Rotterdam gevestigde familie Groeninx van Zoelen. Die laatsten kopen tussen twee bezoeken aan Bosbeek in, 6 walviskaakbeenderen.
Hier wordt de vraag gesteld of die beenderen misschien voor Bosbeek bedoeld waren?

Tegenwoordig vinden we de enige nu nog resterende gebouwen en interieurs van de destijds in Rotterdam gevestigde architect Giovanni (Jan) Giudici (1746-1819) in Zoetermeer, Schiedam en Leiden.1 In die laatste stad werkte de Rotterdamse Italiaan aan enkele gebouwen, nadat zij was getroffen door de kruitramp van 1807. In zijn woonplaats is echter niets van de architectuur en interieurs van Giudici bewaard gebleven.2
Gisteren was het precies 74 jaar geleden dat de paar toen nog bestaande Rotterdamse gebouwen van zijn hand werden vernietigd, als gevolg van een variant op het type onheil dat hem in Leiden het werken juist mogelijk maakte: het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940. Dit maakt vandaag misschien een goede dag om in ieder geval één tot nu toe onbekend gebleven werk aan het repertoire van deze architect toe te voegen.

Geheel in lijn met het bovenstaande betreft het een ruïne.

Giudici's ruin at Huys ten Donck

Onbekend is het werk zelf niet. De ruïne in het park van Huys ten Donck bij Ridderkerk kennen we natuurlijk al heel lang.3 Is het niet uit eigen waarneming, dan is het wel vanwege de met enige regelmaat gereproduceerde glasschildering (c1780) van Jonas Zeuner:

HtD_Zeuner

Een bouwjaar was echter nog niet bekend, de bouwer/ontwerper ook niet. Het archief van Huys ten Donck, dat wordt bewaard in het Stadsarchief Rotterdam, blijkt dit ‘geheim’ al zo’n kleine 240 jaar te herbergen.
1779_HtD_drawingofruinHier bevinden zich twee aan Cornelis Groeninx van Zoelen (1740-1791) gerichte rekeningen, waarop rechtstreeks naar het ontwerp en de bouw van de ruïne wordt verwezen.4 Eén van deze rekeningen is niet gedateerd, de ander gelukkig wel. De ongedateerde bevat een serie uiteenlopende werkzaamheden, afkomstig van Giudici alleen, waarbij hij als ontwerper op de voorgrond treedt. De rekening maakt onder meer melding van werkzaamheden door Giudici aan het ontwerpen en bouwen van het tuingebouwtje:

Eene plan Teekening gemaekt voor Eene Ruine op Zijn Edele buiten Plaets Tendonk, en verdere ordonnantie op de plaats selve om te laeten Executeeren

De tweede is gelukkig wel gedateerd en behelst stucwerkzaamheden verricht in 1777 en 1778 door de firma P. Castoldi en J. Giudici Comp.5 Deze rekening geeft een precieze datum voor werk aan de ruïne:

do [= '23 augusti 1777' -HvdE] op den donck gewerk aan de gabinet genaam Rouina en vaas in de Bufet

17790212_HtD_Castoldi_GiudiciDeze gedateerde rekening vermeldt expliciet dat het om stucadoorswerk gaat: ‘wegens geleverde stucador werk, gedaan aan ué huis in de stat en op den Donck‘. De ruïne was dus voorzien van stucwerk, en ik verwacht dat dit als finishing touch werd aangebracht. Dat betekent dat het bouwwerk zelf op 23 augustus 1777 verder klaar was, en dat het ontwerp waarschijnlijk in het eerste half jaar van 1777 is gemaakt.

C. G. F. Giudici (1746-1819)
Carlo Giovanni Francesco Giudici, zoals hij volledig heette, werd geboren in Dolzago, een rond zijn geboorte circa 350 zielen tellend dorpje tussen Milaan en de ten noorden ervan gelegen meren Lago di Como en Lago di Lecco. Over de omstandigheden waarin hij opgroeide, of over zijn opleiding, weten we niets. Het verhaal wil dat hij rond 1770 uit Italië in Rotterdam aankwam, met niets méér aan bezittingen dan een plank met vier voorbeelden van pleisterwerk; dat was blijkbaar zijn portfolio als rondreizend stucco-artiest. Ook door Groeninx van Zoelen werd hij ingeschakeld om stucplafonds te ontwerpen(?) en aan te brengen, dat laatste gebeurde op dezelfde dag waarop aan de ruïne werd gewerkt.6
Maar hij is vooral bekend geworden als architect. Al in 1774 nam Giudici deel aan een prijsvraag voor een nieuw stadhuis in Groningen.7 Ten tijde van de bouw van de ruïne op Huys ten Donck ontwierp Giudici tevens een schoorsteenmantel voor de eetzaal aldaar, dezelfde eetzaal waarvoor hij ook nog andere werkzaamheden uitvoerde. Daarnaast ontwierp hij een bed en twee ‘penant spiegels‘ voor het stadshuis van Cornelis Groeninx van Zoelen.
Het tot op heden wél bekende werk deed hij in de navolgende jaren. In 1778 kreeg hij de opdracht om het interieur van de Rotterdamse St. Rosaliakerk te ontwerpen.8 Kort hierop volgde een project voor een nieuw stadhuis in Rotterdam.9
Zijn carrière nam vanaf 1784 een hoge vlucht toen hij in Rotterdam de opdracht kreeg om aan het Admiraliteitsgebouw te werken, terwijl hij vrijwel tegelijkertijd betrokken raakte bij bouwprojecten in Schiedam. De Rotterdamse opdracht leverde hem vanaf 1786 de positie van opzichter van de gebouwen en werken van de Admiraliteit op de Maze op. Deze prestigieuze baan wist hij halverwege de 1790-er jaren uit te breiden naar Zeeland. Vervolgens was hij samen met Abraham van der Hart een van de weinige architecten die onder Lodewijk Napoleon hun positie behielden.10 Zijn werkzaamheden in Leiden zijn al genoemd.

De ruïne in het park van Huys ten Donck
Maar dit werk volgde vrijwel allemaal op het ontwerpen en bouwen van de ruïne op Huys ten Donck in 1777.
Cornelis Groeninx van Zoelen was sinds de jaren zestig van de achttiende eeuw bezig met een landschappelijke aanleg van de tuin bij Huys ten Donck. In die tuinen werden ruïnes vaak gebruikt als sierelement, al dan niet beladen met een diepere betekenis. Als bron voor deze specifieke ruïne wordt in de literatuur naar Engeland gekeken, vooral naar de Engelse tuinen die afgebeeld staan in de Cahiers van Le Rouge. Ook wordt een tempel in Kew Gardens aangehaald. Dat laatste is een mogelijke inspiratiebron, want Groeninx verbleef in 1772 klaarblijkelijk in Engeland.11

Maar Cornelis Groeninx van Zoelen heeft misschien als volgt geredeneerd: die tempels en ruïnes in Engelse tuinen zijn vooral geïnspireerd op Italiaanse voorbeelden, waarom zou ik mijn eigen ‘Italiaanse’ ruïne in mijn eigen ‘Engelse’ park niet door een Italiaanse architect laten ontwerpen? En terecht, want de onder architectuur gebouwde ruïne staat er bijna 237 jaar later nog steeds. Veel meer dan een gevel is het niet, er achter gaat een houten berghok schuil.

Tot besluit
Als gevolg van mijn speurwerk -ik zocht als gewoonlijk weer iets heel anders- zijn vanaf nu in ieder geval het bouwjaar en de ontwerper van de ruïne in het park van Huys ten Donck bekend. De kers op de taart zou zijn als we erachter komen hoe het stucwerk op de ruïne er precies uitzag. Achteraf gezien is de ruïne op de verre eglomisé van Jonas Zeuner natuurlijk opvallend licht gekleurd. We hadden kunnen weten dat het geen grotendeels bakstenen geveltje was dat daar aan de overkant van de vijver tussen de donkere naaldbomen staat te schitteren.
Het zou helemaal mooi zijn als deze nieuwe kennis ertoe zou kunnen bijdragen dat het dak van het berghok aan de achterkant van de ruïne wordt dichtgemaakt, zodat dat eigenaardige dekzeil kan worden verwijderd. Een 18de eeuwse ruïne verdient een beter lot. Een ruïne van Giovanni (Jan) Giudici al helemaal.


  1. Zie voor een kort overzicht van leven en werk van deze architect het altijd betrouwbare wikipedia; voor onder meer een uitgebreide literatuurverwijzing is dit overzicht van het RKD uitstekend geschikt. [back]
  2. Al voor de oorlog was veel van zijn werk in Rotterdam verdwenen of onherkenbaar veranderd, zie dr E. Wiersum, ‘De architect Jan Giudici, 1746-1819′, in Rotterdams Jaarboek (1934), p29-41.
    Nog bestaande bouwwerken: in Zoetermeer ontwierp hij de Oude Kerk; in Schiedam zijn het huidige Stedelijk Museum Schiedam en het woonhuis voor Cornelis Nolet (Lange Haven 65) van zijn hand (de Korenbeurs wordt ook wel genoemd, maar hoewel de bouw ervan sterk is beïnvloed door Giudici’s ontwerp en plannen, is het uiteindelijke gebouw een ontwerp van stadsarchitect Rutger van Bol’es -zie Geert Medema, Achter de façade van de Hollandse stad. Het stedelijk bouwbedrijf in de achttiende eeuw, Nijmegen/Utrecht, 2011, p168-169 en p278-280.); in Leiden werkte hij aan het interieur van de St. Lodewijkskerk. [back]
  3. Monumentenregister: 46826. [back]
  4. Stadsarchief Rotterdam, toegang 30, Archief van het Huis ten Donck te Ridderkerk, inventarisnummer 1339. Het gaat hier om een stapel losse rekeningen en kwitanties, ongeveer 10 cm hoog en vergelijkbaar met deze stapel, met alle bewaard gebleven exemplaren die zijn betaald in 1779. [back]
  5. De rekening is op 12 februari 1779 geïnd door ‘Piter Castaldo‘. Waarschijnlijk gaat het hier om Pietro Castoldi (1739-1794) een eveneens Italiaanse stucwerker die in Rotterdam werkzaam was. In het monumentenregister van Huys ten Donck wordt stucwerk van zijn hand vermeld. [back]
  6. den 23 augusti 1777 Twee Camers plafone gestucadert groot saame de somma van 576 Vierkante Voetten a 3 sturs de Voet ƒ86-8-0‘. Alleen is niet duidelijk of het hier om plafonds in de stad gaat, of op Huys ten Donck -de rekening betreft stucadoorswerk op beide locaties. Maar het feit dat zowel de plafonds als de ruïne op dezelfde dag werden gedaan, doet vermoeden dat het om plafonds op Huys ten Donck ging.
    Aan architectuurhistorici de taak om te bepalen welke plafonds dat zouden kunnen zijn geweest -als dat nog mogelijk is. Mijn indruk is dat een van die plafonds wel eens dat van de eetzaal zou kunnen zijn. In het monumentenregister (46816) staat wel dat er stucwerk van Pietro Castoldi aanwezig is, maar de eventuele ontwerper van een of meerdere plafonds wordt niet vermeld. [back]
  7. Zie Wiersum 1934, p30. Medema 2011 meldt dit ook op p172 en tegenover p177 staan enkele architectuurontwerpen van Giudici afgebeeld. [back]
  8. Wiersum 1934, p39-41. Het ging om een Rooms-Katholieke schuilkerk, waarvan het exterieur dus vrij onaanzienlijk was. Wiersum toont foto’s van zowel buiten als binnen. [back]
  9. Medema 2011, p256 ev. [back]
  10. Zie onder meer Medema 2011, waarin op enkele opdrachten nader wordt ingegaan. [back]
  11. Heimerick M.J. Tromp, De Nederlandse landschapsstijl in de achttiende eeuw, Leiden 2012, p231-234. [back]
Summary

The designer and builder of the ruin in the park of Huys ten Donck, near Ridderkerk, has been discovered. Two bills -which I found last week in the Rotterdam Municipal Archives, or Stadsarchief Rotterdam- reveal the identity of the architect as the Rotterdam-based Italian Giovanni (Jan) Giudici (1746-1819). The title of this post is a direct quote from one of these bills mentioning the work, in Dutch mixed with Italian influences.
That bill also leads to the conclusion that the ruin, now basically a screen of brick and stone, was originally covered in plaster when it was built in 1777.

This find adds at least one item to this architect’s portfolio, whose legacy was so hard hit by the 15 minute bombing of Rotterdam by German forces on May 14, 1940. This tragedy all but devastated the inner city, including what was left there of the architect’s work.
Luckily some of his work done outside that city can still be seen. We now know that part of his legacy is at Huys ten Donck near Ridderkerk. The house itself may contain more of his work, these same bills reveal. Architectural historians can chew on that piece of information.

Two months ago I stood in front of this:

 

Max Liebermann, Der Garten des Künstlers, 1918

Max Liebermann, Der Garten des Künstlers (1918). Image Niedersächsisches Landesmuseum.

It was framed, of course, and hung fairly low against the red (if memory serves) backdrop of a wall at the Niedersächsisches Landesmuseum in Hannover.
The painting is one of  a series that artist Max Liebermann made of views in his own garden. This one looks back at the house, depicting the small ‘grove’ of birch trees that Liebermann left untouched while designing his garden.

An avenue in the Berliner Tiergarten. Photo HvdE, May 2012.I was immediately reminded of a similar use of trees in the path, not too far from this garden, in the Berliner Tiergarten. Here the paths are avenues and the trees oaks, but the idea is the same. The trees -probably planted post WW2- function as traffic breakers for cyclists in the park. But like the birches at the Liebermann Villa, they also block the view ahead as one is using the path. And they look like they have been spared during the layout of the path/avenue.

 

I know of no other examples of this form of planting, but that must be me: surely this can’t be a regional thing, bound to south-west Berlin?

 

PS:
The so-called ‘Hecken Garten’ (Hedge Garden) in the garden of the Liebermann Villa, is fully restored. That design was inspired by Alfred Lichtwark, the director of the Hamburger Kunsthalle and friend of Max Liebermann. Previously the restoration of that garden could not be completed because part of it was used as a path and not owned by the museum. Apparently that situation is resolved. The opening of this part of the garden is on May 11, 2014.

Ever Ssince the Herrenhauser Schloss was bombed in 1943 (and consubsequently burnt to the ground), the question what should come in its place has been on people’s mind in the north-German city of Hannover.1 Several plans for Herrenhausen had been developed since, ranging from ‘mere’ landscaping solutions (make the outlines of the lost building visible by planting), to sometimes wild new buildings plans (one of which we’ll see later on).
It took over 60 years before the combination of having a feasible building plan and necessary funding came together. It was the VolkswagenStiftung, a private foundation located in Hannover, who presented the plan that was finally accepted and executed. A video of the build (narrated in German) can be seen here.

The open space, left by the lost building, was just a lawn until the summer of 2009.  Continue Reading »


  1. The original Schloss had been a late 17th century structure, which was mostly upgraded on the outside circa 1820, after designs by Georg Friedrich Ludwig Laves (1788-1864), possibly in preparation of a royal visit. The royal visit of George IV in 1821 was the first visit by the Hanoverian kings since George II last visited in 1755; George III never visited Hannover. George IV never visited again after 1821. See: Bernd Adam, Das Herrenhauser Schloss und die historischen Gartenpavillons’, in: Marieanne von König (Hrsg.), Herrenhausen. Die Königlichen Gärten in Hannover (Göttingen 2006), p95-100. [back]

The 13-shire-view

Looking for the exact name and location of the estate in Cookham, that ‘prettiest and gayest retirement’ George Grenville ever saw and where he wrote a small poem for (in 1749), I stumbled upon another poem: The Description of Cooke-ham. This poem was published as early as 1611 and written by the female poet Aemilia Lanyer (1569-1645).1 It is nowadays regarded as possibly the first ‘country house poem’ in Britain.2
Although she mentions Dorset a few times (while Grenville’s Cookam was located in Berkshire) we’re probably in the same county and village with both poems. The Clifford family members who Lanyer dedicated her publication to, and to whom she refers in her poem, leased Cookham in Berkshire from the Crown up till 1605.3
But we may still be dealing with two separate estates. So still no answer for my original question.

13 Shires
But one line in her poem struck me, as it reminded me of something I recently read elsewhere. It reads:

And thirteen shires appeared all in your sight,

Thirteen shires, where had I seen that before? As it turns out, in the (Shire) publication Georgian Garden Buildings (2012), when dr. Sarah Rutherford elaborates on ‘Columns’ in Georgian gardens. On page 47 she writes: Continue Reading »


  1. Lanyer included her poem in the third and last part of her publication Salve Deus Rex Judaeorum (1611). As it revolves around the Cliffords having to say farewell to Cookham -they left in 1605- the poem itself can probably be dated 1605-1606? [back]
  2. That title was previously held by Ben Jonson’s To Penshurst (1616), which is still considered the model for this type of poetry in Britain. In Dutch literature the first ‘Hofdichten’ that describe -or at least refer to- actual gardens are from Jan Baptiste Houwaert: Pegasides pleyn (1582-83), describing his garden near Brussels; and H.L. Spieghel: Hertspieghel (1597), describing his garden along the Amstel river. [back]
  3. Jonathan Post, ‘Seventeenth-Century poetry I: poetry in the age of Donne and Jonson‘, in: Michael O’Neill [ed], The Cambridge History of English poetry, Cambridge University Press (2010), p203. And Barbara Kiefer Lewalski, Writing Women in Jacobean England, Harvard University Press (1993), p138. [back]
Summary

Two references to ‘thirteen-shire-views’, written almost 150 years apart, but found by me in a few weeks time: that can not be a coincidence. Is the 13-shire-view a theme in Britain?

Older posts »