Subscribe to Posts via:
Email
RSS

Terwijl in Egypte het gebruik van nieuwe technologieën onder meer aanleiding geeft tot vermoedens dat er nog onontdekte ruimtes zijn in de piramide van Cheops, blijkt dat moderne technologie ook in Nederland kan worden ingezet bij onderzoek naar piramiden. Tuinpiramiden, wel te verstaan.
Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) maakt gebruik van laseraltimetrie of LIDAR-technologie, met name om de hoogte van het maaiveld in kaart te brengen ten behoeve van waterbeheer.1 Het AHN bestaat al een poosje en kent vele afgeleiden, waaronder de NLTopo App.2 We vinden daar niet de allernieuwste informatie die op dit gebied beschikbaar is (er is ook al een AHN3), maar hun AHN2-laag bracht toch een mooie verrassing.

Piramide Huys ten Donck 1781 en 1785

Huys ten Donck. Links een detail van de kaart van C.W. Maan en P. Harte, 1781; rechts een detail van een opmeting door landmeter J. Leenheer, 1785.

Op kaarten van Huys ten Donck uit 1781 en 1785 staat een piramide weergegeven in een uithoek van het terrein, tussen de Blaakwetering (links) en een slingerende sloot die onderdeel is van de tuinaanleg. Op 1 november 1794 werd deze piramide nog eens genoemd in een kasboek, maar daarna is elk spoor zoek. Op de kadastrale kaart van Ridderkerk (c1828-1832) ontbreekt het tuingebouwtje al, en ook nu is er in het terrein niets meer van te vinden.
Althans, dat denk je als je er rondloopt zonder AHN. Pakken we de AHN2 erbij, dan lijkt de omtrek van de basis van de piramide echter nog uitstekend herkenbaar.

Piramide Huys ten Donck 2015

De vermoedelijke basis of het fundament van de piramide van Huys ten Donck, zichtbaar binnen de rode cirkel op dit detail van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN2).

De piramide lijkt iets noordelijker te hebben gestaan dan op de kaarten uit 1781 en 1785 is aangegeven, maar de aanleg werd kort na het tekenen van die kaarten alweer veranderd. De vijver dateert van 1792, de loop van de slingerende sloot werd toen eveneens gewijzigd. Mogelijk is de piramide daarbij (of niet lang daarna) richting de oever van de vijver verplaatst? De piramide lijkt ongeveer op de plaats te staan waar de slingerende sloot vóór de aanleg van de vijver lag. Dat zou de wat raadselachtige kasboekvermelding van november 1794 kunnen verklaren:

aan Punt voor het oppassen van de piramide [ƒ3,-]3

Piramide Huys ten Donck - afmetingErvan uitgaande dat hier geen sprake is van een anomalie in het beeld, wijst een ruwe schatting mijnerzijds uit dat de piramide van Huys ten Donck een basis had van 5 à 10 meter -afhankelijk van de vraag op welke manier de AHN2-gegevens moeten worden geïnterpreteerd.4 Het heeft er daarbij alle schijn van, dat de piramide exact in een noord-zuid/oost-west richting was geplaatst.
Nader onderzoek in het veld zou daar uitsluitsel over moeten kunnen geven en hopelijk ook resten van de piramide kunnen opleveren, in plaats van alleen maar sporen. Daarbij zou eveneens vastgesteld kunnen worden of het hier inderdaad gaat om de piramide, of eventueel een ander -vooralsnog onbekend- bouwwerk. Het feit dat hij twee jaar na aanleg van de vijver nog werd genoemd, wijst wat mij betreft in de richting van de piramide.
Schermafbeelding 2015-11-21 om 21.09.40

Locatie van Huys ten Donck, ten zuid-oosten van Rotterdam.


  1. Maar ze geven zelf ook al aan dat de resultaten van hun metingen meerdere toepassingen kunnen hebben: “Ook gemeenten, bedrijven en onderzoekers gebruiken de gedetailleerde hoogtegegevens. Zo hebben archeologen aan de hand van kleine hoogteverschillen in weilanden, die ze met het AHN zichtbaar maakten, oude nederzettingen opgespoord die voor het blote oog niet opvielen.”
    Een variant van dat laatste is onderwerp van dit bericht. [back]
  2. Hartelijke dank aan Laura Fokkema voor het aanreiken van deze bron, die ook -juist- in het veld bijzonder bruikbaar is. [back]
  3. Stadsarchief Rotterdam, toegang 30, inv.nr. 63.
    Ary Punt was op dat moment rentmeester van Huys ten Donck, maar wat het ‘oppassen’ precies betekent is in dit geval onduidelijk. De term werd vaker gebruikt in kasboeken van Huys ten Donck, maar dan vooral met betrekking tot de bedienden die het huis gedurende de wintermaanden in de gaten hielden, schoonhielden en -in het voorjaar- luchtten.
    Niet uit te sluiten valt dat de piramide moest worden beschermd wegens (graaf)werkzaamheden tijdens de aanleg van de nieuwe vijver in 1792. Maar de basis van de piramide lijkt zich te bevinden op de plaats waar de slingerende sloot vóór de aanleg van de vijver liep. Daarmee is een verplaatsing van het gebouwtje het meest realistische scenario. [back]
  4. Waarbij het tevens raadzaam is in aantallen ‘voeten’ en ‘roeden’ te rekenen, in plaats van meters. [back]
Summary

Laser altimetry technology reveals the location of what is most probably the footprint of a lost garden pyramid in The Netherlands. It seems to be several meters north from the location indicated on maps from the 1780’s, but it may have been moved towards the bank of the pond after that was created in 1792.
Until further on-site research is done, the idea that this shape is merely the result of an anomaly in the picture, can not be completely ruled out, though.

Apart from being the name of an 1887 waltz by Johann Strauss, the name Donauweibchen probably does not ring too many bells. The name refers to a legendary nymph, who brought good luck to the fishermen of the Danube river near Vienna.
It is no surprise then, that Vienna boasts several statues of this nymph. One statue, created by Hanns Gasser (1817-1868), was unveiled in 1865 as the first statue in the Wiener Stadtpark -although it was originally created in 1858 and intended for a different location in the city.1 In 1948 the war-damaged original was replaced by a copy. A few other copies of this statue, as well as other versions, are situated elsewhere in Vienna.

Donauweibschen SoestdijkWhere one would not necessarily expect to see an exact copy of Gasser’s statue, is in a garden in the Netherlands, surprisingly not even close to that other large European river, the Rhine.
That might explain why Paleis Soestdijk, the garden in question, provides a wrong identification of the statue. In their guide book she is identified as a Venus,2 even though Wim Meulenkamp had already correctly identified the statue as a representation of the Donauweibchen in 2008 -in a publication commissioned by the same organisation.3

Donauweibschen Soestdijk detailI must confess that I didn’t see it immediately either, and wouldn’t have come up with the name myself. As obvious as it was that the Yorke House Venus just couldn’t be one of the nymphs, as unclear to me the iconography was here.
But as soon as one notices the two fishes sculpted in her lap, just above the line of her garment, any identification with Venus is out the window.

The description in the national register of monuments cleverly remains neutral about the identification, but most probably reads the monogram on one of the shields at the foot of the statue wrong (HC, where HG would make more sense):

Op een rotsachtig basement is een marmeren beeld, een mythologisch of allegorisch vrouwenfiguur, geplaatst. Aan haar voet staat een boomstam met twee gekoppelde heraldische wapens en een klein wapenschildje met het monogram HC en het jaartal 1858.4

Based on the date on the statue, the register of monuments claims the area it sits in was designed and laid out around 1858. But we already saw that even the original statue of Hanns Gasser was not unveiled in Vienna until seven years later. In that same year, 1865, prince Willem Frederik Hendrik (1820-1879) inherited Soestdijk, his place of birth. Prince Hendrik had been appointed governor (stadhouder) of the Duchy of Luxembourgh in 1850, where he resided at Castle Walferdange. Soestdijk was meant to be his summer residence.
Perhaps the statue, newly unveiled in its hometown Vienna, was a celebratory gift for prince Hendrik, to adorn his new garden at Paleis Soestdijk?

Locatie Paleis Soestdijk

Location of Paleis Soestdijk, to the north east of Utrecht.


  1. In the mean time, a bronze fountain with a Donauweibchen as the top figure -holding a fish in her right hand- designed by Heinrich von Ferstel had been erected in a bank building in 1861. The fountain is still there in what is now called Palais Ferstel.
    Up till 1860, Gasser was Vienna’s most celebrated sculptor. The last years of his life a neglected injury to his right hand increasingly impaired his ability to sculpt -his studio had to take over. (W. Krause, ‘Han(n)s Gasser’, in Saur, Allgemeines Künstler Lexikon, Band 50 (June 2006), p.52). [back]
  2. Katelijne Eissens / Kunsthistorisch Bureau D’Arts, Paleis Soestdijk. Wandeling door het Park (Rijksgebouwendienst Den Haag, 2011), p.36-37. [back]
  3. Wim Meulenkamp, Cementrustieke brug tegenover het Prinses Wilhelmina châlet in het park van Paleis Soestdijk: maker, techniek, herstel en waardebepaling; met opmerkingen over de kunstrotsen in de nabijheid van de brug en de basis van het Donauweibchen vóór de kassen of bloemserres, (Rijksgebouwendienst Den Haag, 2008). [back]
  4. The ‘image library’ (beeldbank) -operated by the same national cultural heritage agency (RCE)- consistently calls her Venus, though. [back]
Summary

In de tuin van Paleis Soestdijk staat een beeld, dat ten onrechte als een beeld van Venus wordt aangemerkt. Wim Meulenkamp schreef al dat het hier gaat om het zgn. Donauweibchen, een nimf die volgens de legende vissers bij Wenen zou hebben beschermd (en betoverd door haar schoonheid). Het beeld is een kopie van een beeld in Wenen, van de beeldhouwer Hanns Gasser.
Hier wordt het jaar 1865 als plaatsingsdatum voorgesteld, het jaar waarin prins Hendrik (de Zeevaarder) Soestdijk erfde -tevens het jaar waarin het Weense origineel werd onthuld.

c1820 HtD Wilhelm TellIn het park van Huys ten Donck stond ooit een tuingebouw, dat wel werd aangeduid als ‘het huisje van Wilhelm Tell’. De bouwdatum ervan is niet bekend, volgens Tromp ‘waarschijnlijk van ca. 1800.’ 1
Het is inmiddels verdwenen, maar gelukkig is er wel een afbeelding van. Op een anoniem schilderij uit ca. 1820 staat het in de verte als klein detail afgebeeld.

In het archief van Huys ten Donck wordt een tekening bewaard van de Tellskapelle, zoals hij aan de oever van de Vierwaldstättersee staat (destijds ook ‘meer van Lucerne’ genoemd).2 Deze tekening werd gemaakt door Elisabeth Cornelie Groeninx van Zoelen, een in 1818 op 20-jarige leeftijd overleden dochter van Otto Paulus Groeninx van Zoelen. De overeenkomsten met de echte Tellskapelle zijn groot.3
Otto Paulus Groeninx van Zoelen reisde met zijn hele familie tussen 11 april 1810 en 23 juni 1812 door Europa, en verbleef volgens zijn opgave 150 dagen in Geneve.4 Hoewel dat aan een ander meer ligt, kan Elisabeth (‘Betsy’) deze tekening dus ter plaatse gemaakt hebben.5
BetsY_Tell

Tellskapelle, tekening door Elisabeth Cornelie Groeninx van Zoelen, c1815? (Foto: Stadsarchief Rotterdam)

Het ‘Capelleke Buyten’
Maar moet de datering van dat huisje dan richting 1815 worden verschoven? Continue Reading »


  1. H.M.J. Tromp, De Nederlandse Landschapsstijl in de Achttiende Eeuw (Leiden 2012), p348. [back]
  2. Stadsarchief Rotterdam (SAR), Toegang 30, inv.nr. 122. Volgens de inventaris dateert de tekening van 1815, maar dat moet uit de context zijn gebleken: op de tekening zelf is van een datering geen spoor. De tekening staat ook afgebeeld in: I. Thoen, Het Huys ten Donck en de familie Groeninx van Zoelen (Rotterdam 2006), p85. In het bijschrift wordt de tekening toegeschreven aan Jacoba Elisabeth Groeninx van Zoelen, maar dat was een jong overleden zus van Otto Paulus. [back]
  3. De huidige kapel is gebouwd in 1879, maar een foto, gepubliceerd in of voor 1870, toont aan dat de kapel niet wezenlijk van uiterlijk is veranderd. [back]
  4. SAR, Toegang 30, inv.nr. 84. [back]
  5. Nader onderzoek in de behoorlijke hoeveelheid aan correspondentie die uit deze periode bewaard is gebleven, kan daar uitsluitsel over geven.
    Er zou wel een schilderij van de legende van Tell in het huisje hebben gehangen (zie noot 10). Mogelijk stond de kapel daarop afgebeeld, en is deze tekening niet ‘naar het leven’ gemaakt. [back]
Summary

At Huys ten Donck, the building date of a now lost garden pavilion resembling Wilhelm Tell’s ‘kapelle’ on the rocky shores of the Vierwaldstättersee in Switzerland, was unknown. The estimate was that it was built circa 1800, although the layout of the garden it sat in, is known to have taken place in 1792.
One document in the house archive -a hand written version of the legend of Wilhelm Tell- mentions that this pavilion had just been built. This document is dated 29 September 1792. Earlier that year, a carpenter was paid ƒ219,- for his work on the ‘Capelleke Buyten’.
Both documents confirm that the pavilion was built simultaneously with the creation of this new layout of the garden (the ‘nieuwe werk’).

A while ago I found that in 1775 someone with the name Lancelot Brown was entered in the records of Somerset House Lodge in London. It may be Brown the landscape architect, but without a further look at the records we can’t be certain. It could easily be another Lancelot Brown – for instance his own son. This post is just a quick follow-up.

Paul Sandby - Somerset House demolition - 1775Reading up on Brown’s life to get a little more understanding of what he was doing in that period, I found something intriguing.
Jane Brown writes that Lancelot Brown visited Lord Bute at Luton Hoo in 1774. Bute had apparently fallen from grace with everyone, including shooting star Sir (to be) Joseph Banks.1
She then argues that Brown’s relationship with Joseph Banks may have been compromised by Brown’s loyalty to Lord Bute. (To be honest, I’m not really sure why she insists on making this point.)
Be that as it may, she continues:

Many years later, Lancelot’s youngest son, Thomas, claimed that Banks and his father were ‘old friends’, but there is no evidence for this.2

Here’s where things get interesting, I think. Because both Joseph Banks and Lancelot Brown were listed in the very same masonic lodge.3 Prior to 1768, Banks had joined the Old Horn Lodge, which merged with the Somerset House Lodge in 1774.

Was Lancelot Brown a Freemason?Usually, a question mark at the end of a title signifies that the answer to the question is an unequ…Nov 3 2015www.historicalgardensblog.comWas Thomas Brown right? Or was he aware that both Banks and his father had belonged to the same lodge, and simply assumed that they were friends?
There is always good reason to be skeptical about such family lore. Besides, there still is no reason to rule out that Thomas’ elder brother (also Lancelot Brown) was the one registered in the lodge.

But Thomas would at least have known which Lancelot hung out with Banks, wouldn’t he? And if someone with his father’s name is listed in the annals of the same lodge Banks was a member of. Then… we still need proof.


  1. Although the quote from Bute in reply to a request from Banks, can be read in a lighter fashion than she seems to do (see note 2 for the reference).
    Later, soon after Bute’s new garden at Highcliffe was laid out, Banks made sure the garden would contain several varieties of Banksia’s, a new species Banks brought in from Australia. Kristina Taylor and Robert Peel see that as a sign of respect from the side of Banks. See their: Passion, Plants and Patronage. 300 Years of the Bute Family Landscapes (London 2012), p88. [back]
  2. Jane Brown, in Lancelot ‘Capability’ Brown. The omnipotent magician 1716-1783 (London 2012), p244. [back]
  3. Rev. Arnold Whitaker Oxford, No. 4, An introduction to the history of the royal Somerset House and Inverness Lodge acting by immemorial constitution (London 1928), p304; in the ‘Index Fratrum Ædis’. [back]
Summary

Joseph Banks was vrijmetselaar en lid van dezelfde loge waar ene Lancelot Brown in de boeken staat vermeld. De jongste zoon van Brown herinnerde zich ‘jaren later’ blijkbaar dat Banks en zijn vader vrienden waren. In een recente publicatie wordt gesteld dat daar geen aanwijzingen voor zijn.
Kan het voorkomen van de naam Lancelot Brown in de annalen van dezelfde loge als Banks, een klein stukje bewijs zijn dat zij beiden lid waren van die loge? En misschien zelfs vrienden?

Usually, a question mark at the end of a title signifies that the answer to the question is an unequivocal ‘No!’. In this case the jury is still out.

Browsing in the Library and Museum of Freemasonry in London’s Freemasons Hall last Friday, I found that Lancelot Brown is listed in the ‘Index Fratrum Ædis’ of one of the oldest Masonic Lodges in London.1 Compiled in 1928, the index lists ‘Brown, Lancelot’ in the long overview of members of what was at the time called Somerset House Lodge and would later become known as the Royal Somerset House and Inverness Lodge. Lancelot Brown was apparently registered in 1775.2

Somerset House, 1791

Somerset House in 1791. Aquatint and etching by J.C. Stadler. (© British Library)

Provided not a different Lancelot Brown is listed here (see further down), this seems to be the first confirmation that one of the world’s most famous landscape architects and garden designers had direct ties with the Freemasonry.3

However
Let’s not get ahead of ourselves, though. This listing does not give a conclusive answer that Brown was a Freemason. Brown could have been listed merely as a member of the lodge, who had not passed the initiation process. Besides, Lancelot Brown (1716-1783) also had a son called Lancelot Brown (1748-1802), who became an MP for Huntingdon in 1784.4 This son would have been in his late twenties in 1775 and thus by all means old enough to join a lodge in his own right.

A lot of work still has to be done before this information is confirmed and/or properly put into context. That, I believe, is a nice task for researchers in Britain -if only for the practical reason of a closer proximity to the primary sources. Hopefully a conclusive answer is found in time for next year’s activities surrounding Brown’s tercentenary celebrations, taking place throughout England.
If Lancelot Brown (the father and landscape architect) indeed was a member of this particular lodge, the fact that at least one of these tercentenary activities shall take place in Somerset House, is very fitting.

 


  1. Rev. Arnold Whitaker Oxford, No. 4, An introduction to the history of the royal Somerset House and Inverness Lodge acting by immemorial constitution (London 1928), p305; in the ‘Index Fratrum Ædis’. [back]
  2. I had no time to further investigate this, as I had just one day to sift through the collection, and was essentially looking for other information. The lodge’s ‘annual returns’ do not seem to predate 1790.
    Lancelot Brown is often referred to as ‘Capability’ Brown, a name which always -and rather distractingly- makes me think of Calamity Jane. [back]
  3. I do need to say thanks to Susan A. Snell, Archivist and Records Manager at the Library and Museum of Freemasonry, for her patient introduction to the collections and helpful selection of sources to browse. It is safe to say that this chance find would not have been possible without her skills in selecting sources. [back]
  4. Jane Brown, in Lancelot ‘Capability’ Brown. The omnipotent magician 1716-1783 (London 2012), calls his son Lance. That may just be a twist to better distinguish between the father and the son.
    On page 226 she mentions how LB sr was appointed high sheriff, but how LB jr took on the daily tasks -apparently without people noticing. So it wouldn’t be the first time the son is confused with the father. [back]
Summary

In de Library and Archive of Freemasonry in Londen vond ik de naam Lancelot Brown in de ‘index’ van de geschiedenis van een loge in Londen: Somerset House Lodge. Brown zou daar in 1775 zijn ingeschreven.
De vraag is echter of het om de landschapsarchitect gaat, of om diens gelijknamige zoon, die op dat moment bijna dertig jaar oud was. De inschrijving in het register hoeft tevens niet te betekenen dat hij vrijmetselaar was: hij kan ook zijn ingeschreven als ‘lid’, en nooit de initiatie hebben doorlopen.

These summer-drinks-with-ice-cubes filled days of early July beg for a title like this. Further inspiration came from the group of rock-climbing nymphs I recently encountered in the garden of York House, in Twickenham.

Cascade at York HouseThis group of Oceanides has been the focal point of the riverside garden1 for over a century. They were placed in this part of York House’s garden in 1909, but the statues were originally created for the Surrey property of James Whitaker Wright.2 This ‘financier’ was found guilty of fraud in 1904, after which he swallowed a cyanide pill and died.

Nymphs helpingThe group of statues from his collections found their way to several new owners, among whom Sir Ratanji Tata, the owner of York House.3 Some of these statues were still packed in the original boxes in which they had arrived from Italy a few years earlier. The source for that story is remarkably credible. He even tells us the company responsible for the installation of this amputated group sent him to Italy to speak to an ‘Art Professor’ who possibly was responsible for the original design.4 It is assumed that the statues were made by the Roman sculptor Orazio Andreoni.5

In accordance with the drinks mentioned earlier, the philanthropic Tata family often used the site in front of this cascade for summer parties. Today the statues are known as Oceanids, representing just eight of the three thousand mythological daughters of Oceanus and his sister Tethys.6
But there is more to the story. The top figure, rushed into the scene by two wild-eyed eh.. aquatic horses, can’t be a nymph herself.

Nymph or VenusThe others are looking up to at her in admiration, surprise and in awe (apart from the one almost tumbling over into the water and the two others pictured above). She, meanwhile, does not seem to acknowledge their existence: her introspective gaze and entire posture indicate absent-mindedness.
To further emphasize the difference in status between the statues, a pearl is presented to her by the only nymph wearing some form of clothing -clinging tight to her body because she has just emerged from the waters, but nonetheless some decorum is considered.

Presenting the pearl

The fact that the central figure is handling her long loose hair, and is honored by nymphs associated with the sea or ocean, could indicate that she represents Venus, a version of the Venus Anadyomene-type: ‘Venus emerging from the sea’.7
While aquatic horses are not associated with Venus at all, wearing her long hair loose (sometimes wringing the water out of her hair) is an essential part of that image. For Venus, born out of the sea as an adult woman, the Oceanids at her feet can be logical companions, although they also do not occur in the story of her birth. The pearl she is presented with usually grows in a shell, precisely the vessel in which Venus after birth was blown ashore by Zephyr.
Closely associated with the Birth of Venus subject matter, the Venus Anadyomene was a popular subject in the late 19th century. Botticelli’s birth of Venus was particularly popular among British visitors to the Ufizzi in Florence. The York House version could be deliberately chosen to depict a moment when the new-born was still overwhelmed by the sudden rush of events.

The aquatic horses are an essential part of depictions of Oceanus himself, when they trawl his chariot through the waves. Knowing the provenance of this group, these horses could have originally belonged to a different set of statues ordered by Whitaker Wright. Or, for that matter, the statue that possibly is a Venus Anadyomene could originally not have belonged to this particular group at all.8
It seems to me that these statues tell a different story than previously presumed, and they need to be reexamined. If possible, other statues taken from Whitaker’s collection should be taken into account as well.

  • Edited to correct the name of Sir Ratan Tata, who I had called Ratanji. It appears that Ratanji was how he was generally known, but Ratan was his official name.
  • Updated @ July 25, 2015: I’ve added a comment to reflect the fact that since 2007 the central figure has indeed been tentatively identified as a Venus. With links to sources.

Location of York House in Twickenham

Location of York House in Twickenham.


  1. A part of the garden we’d call overtuin in Dutch, because seen from the house, it is on the other side of a public road. [back]
  2. This was called Lea Park, the name was later changed into Witley Park. [back]
  3. Beale Park near Pangbourne is where similar statues are kept. [back]
  4. To, not necessarily with, as he did not speak English, and they lacked any knowledge of the Italian language. [back]
  5. Although the name of Italian sculptor Marabitti (fl 1904) is also mentioned by the Register of Parks and Gardens of Special Historic Interest (via Parks and Gardens UK). [back]
  6. Locally they seem to be known simply as the Naked Ladies. [back]
  7. This ‘Venus emerging from the sea’-image goes back to Pliny the Elder’s description of a painting by Apelles that had been brought to Rome. [back]
  8. But the Italian fountain at Beale Park does not have an Oceanus, nor does it seem to miss a Venus. [back]
Summary

In de tuin van York House in Twickenham ligt een cascade waarop vrouwenfiguren in verschillende houdingen zijn uitgebeeld. Ze worden omschreven als een groep Oceaniden, maar die omschrijving dekt de lading niet. Het is geen homogene groep. De centrale figuur is wat betreft positie, handeling en gebrek aan interactie met de rest niet op hetzelfde niveau in te schalen. Ik vermoed dat het hier niet om een Oceanide gaat, maar om Venus, en wel om het type Venus Anadyomene.
De gevleugelde paarden met drakenstaarten(?) horen weliswaar niet bij de iconografie van Venus, maar het is bekend dat de gehele groep bestaat uit een deel van een partij beelden die ooit voor een andere opdrachtgever en een andere tuin waren besteld. In de verdeling van die boedel kunnen bij elkaar horende beelden van elkaar gescheiden zijn.

Met deze termen adverteerde de Haarlemse kweker Jacobus Gans in november 1770.1 Als dat de interesse van de lezers nog niet had gewekt, dan wel Gans’ suggestie dat hij de Amerikaanse en Engelse bomen, struiken, planten en zaden -want daar ging het om- zelf in Londen was gaan halen. Het aan het Engels ontleende taalgebruik is mogelijk een aanwijzing dat dit type planten of beplanting in Nederland nog geen gemeengoed was.

17701124_OHCp2

Advertentie van Jacobus Gans uit de Oprechte Haerlemsche courant, 24 november 1770. Klik op de afbeelding om naar de bron (Delpher) te gaan.

Van belang voor mijn zojuist verschenen artikel2 over Gans, was dat hij meldde in’t kort de gedrukte Lysten van deze planten te kunnen leveren. Binnen een maand, op 13 december 1770, adverteerde hij dat die lijsten klaar waren en bij hem konden worden opgevraagd.3

Catalogi
Van Jacobus Gans (1737-na oktober 1796) zijn twee catalogi bekend, waarvan één gedateerd met het jaartal 1780. Het enig bekende exemplaar daarvan bevindt zich in de British Library, in een convoluut dat door Joseph Banks is samengesteld.4 In deze catalogus is een Voorberight opgenomen, waarin Gans een eerste catalogus uit 1771 noemt.
De andere catalogus is echter niet gedateerd. Voorheen werd de publicatiedatum iets vroeger dan 1780 geschat. Deze catalogus wordt namelijk in het archief van Huis Almelo bewaard, samen met een handgeschreven lijstje waarop het jaartal 1779 staat. Dus werd er de datering ‘vóór 1779?’ aan gehangen. Later, in 2012, werd de datering op basis van op dat moment bekende advertenties teruggeschroefd tot ‘circa 1775’.5

Ik besprak de advertenties uit 1770 met collega Arinda van der Does, die mij prompt op het bestaan van een andere ongedateerde catalogus van Gans wees, in het archief van de huizen Waardenburg en Neerijnen. Althans: de titelpagina was anders, voor de rest was de catalogus identiek aan de reeds bekende versie. Het meest in het oog springende verschil zat hem in de (op die titelpagina aangeven) vestigingsplaatsen van Gans: Haarlem op de nieuwe; Hillegom en Haarlem op de reeds bekende catalogus.
Gans kocht in de loop van 1771 onder andere de buitenplaats Duin en Weg in Hillegom en vestigde zijn kwekerij daar begin 1772.6 Die verhuizing maakt het, in combinatie met de gegevens op de titelbladen, mogelijk deze ongedateerde catalogus te identificeren als de door Gans genoemde catalogus van 1771. De door Arinda van der Does gevonden versie (Haarlem) is dan iets ouder dan de versie die we reeds kenden (Hillegom en Haarlem).

Naar alle waarschijnlijkheid gaat het inhoudelijk in beide gevallen om de Lysten waarmee Gans halverwege december 1770 adverteerde, maar dat is niet helemaal met zekerheid vast te stellen.

Rotterdam
De eerste buitenplaatseigenaar waarvan tot nu toe bekend is dat hij bij Gans kocht, is Cornelis Groeninx van Zoelen (1740-1791), eigenaar van Huys ten Donck bij Ridderkerk. Uit een kwitantie in het archief blijkt dat Gans hem op 4 augustus 1771 een breed laef magnolia leverde (weer dat ‘Engels’: broad leaf, bedoelde hij waarschijnlijk).

NL-RtSA_30_1332_x1

Kwitantie van Jacobus Gans uit het archief van Huys ten Donck, betaald 21 februari 1772. Photo: Stadsarchief Rotterdam.

Groeninx van Zoelen behoorde tot de rijkste regentenfamilies van Rotterdam en was ten tijde van deze aankoop al enige jaren bezig met een landschappelijke aanleg. In 1769 liet hij een Engels bosje aanleggen bij Huys ten Donck, in november 1769 betaalde hij de Leidse kweker Valkenburg voor geleverde planten7 Ik schreef al eerder over de magnolia die hij in het voorjaar van 1771 bij diezelfde kweker had gekocht. Het lijkt bijzonder dat Groeninx van Zoelen een paar maanden later opeens naar een andere kweker overstapte om een zelfde soort boom te kopen. Maar zo bijzonder hoeft dat niet te zijn (nog afgezien van het feit dat Groeninx van Zoelen zelf wel uitmaakte waar hij zijn waren kocht :-)).

Uit mijn onderzoek blijkt dat Gans in 1770 een negotie was aangegaan met een Rotterdamse ondernemer die we in de tuinhistorische wereld nog niet kennen: Bastiaan Molewater (1734-1780). Molewater zat op dat moment samen met Groeninx van Zoelen in het bestuur van een Rotterdamse assurantiemaatschappij, maar hij bezat voor zover bekend zelf geen tuin van betekenis. Desondanks financierde hij tussen 1770 en 1780 iedere stap die Gans zette.

Uiteindelijk blijkt dat het verschijnen van zowel de eerste (1770/71) als de tweede catalogus van Gans (1780) direct samenhing met het wel en wee van deze geldschieter. Of het hier ging om een eenvoudige zakendeal, of om het opzetten van iets dat alleen maar een horticultureel mecenaat kan worden genoemd, wordt echter niet duidelijk. Voor beide partijen liep het in ieder geval desastreus af.

Leest het Cascade Bulletin! (En ook deze Cascade weblog, waar in de commentaren extra en soms nieuwe informatie wordt gegeven.)


  1. Advertenties in de Oprechte Haerlemsche courant, 24 november 1770, p2; Oprechte Haerlemsche courant, 27 november 1770, p2. [back]
  2. Van der Eijk, H.; ‘Harde en Evergreene Heester Trees, Shrobbs. De catalogi en kwekerij van de achttiende-eeuwse kweker Jacobus Gans.’, in: Cascade 24 (2015), nr 1, p.9-33. [back]
  3. Advertenties in de Oprechte Haerlemsche courant, 13 december 1770, p2; Oprechte Haerlemsche courant, 15 december 1770, p2. [back]
  4. British Library, reference number B.168.(.2). [back]
  5. H.M.J. Tromp, De Nederlandse Landschapsstijl in de Achttiende Eeuw (Leiden 2012), p55. [back]
  6. Duin en Weg bestaat niet meer, het lijkt tussen 1815 en 1830 te zijn afgebroken. Een groot deel van de kwekerij van Gans lag overigens ten noorden van het dorp, ten zuiden van de Pastoorslaan. [back]
  7. Tromp, op.cit, meldt op p233 de werkzaamheden aan dit bosje; de betaling aan Valkenburg komt uit het kasboek van Huys ten Donck (Stadsarchief Rotterdam, toegangsnummer 30, Archief van het Huys ten Donck, inv.nr. 63, kasboeknotitie dd 22 november 1769: aan Valkenburg te Leyde voor boome. [back]
Summary

Published: my piece about the 18th century nurseryman Jacobus Gans, whose bold move from Haarlem to Hillegom (and his purchase of an estate there in 1771), is now explained. His formerly unknown partnership with Rotterdam merchant Bastiaan Molewater (1734-1780) played a deciding role in the rise and fall of his nursery.
The move itself makes it possible to put a date on Gans’ undated catalogues, especially because an unknown version has come to light, on which his sole address is still in Haarlem only.

Gans had ‘English’ and ‘American’ plants for sale, and mentioned that he had gone to England himself to collect them there. His use of ‘English’ terms when advertising the sales catalogue of these plants (see the advert and the title of this post), shows that no proper Dutch vocabulary was available (yet) for this type of planting material.

Een aantal maanden geleden kreeg ik de vraag of ik wist wanneer de blauwe regen, of Wisteria, populair werd in Nederland. De aanleiding was een praktische: bij de organisatie waar de vragensteller werkt, staat een oude blauwe regen aangeplant, en daar wilde men wel meer over weten.

Eerlijk gezegd had ik geen idee. Ik dacht direct aan de late 19de, begin 20ste eeuw, maar echte bewijzen vond ik er niet zo snel voor. Cottage-stijl, pergola, Wisteria, dat was ongeveer de gedachtegang.
Maar mijn interesse was gewekt, en mijn hopeloos verouderde versie van ‘Boom’ wist alleen te melden dat tussen 1816 en 1820 vanuit Azië verschillende soorten Wisteria in Engeland waren geïntroduceerd.1 Dat zegt niets over Nederland en bovendien is met een introductie van een plant de populariteit nog niet bewerkstelligd. Dus ik was blij om in de loop van de jaren 1850 krantenberichten te vinden, waarin werd gemeld welke kwekers de grootst bloeiende Wisteria’s hadden gekweekt. Er werden zelfs prijzen uitgereikt.2
Ik heb er geen studie van gemaakt, maar als er kwekerswedstrijden worden uitgeschreven, dan schijnt het mij toe dat een plant populair is, of men wil heel graag dat de plant populair wordt. Deze periode zou ook prima passen in de geschiedenis van de organisatie in kwestie.

1817 Glycine sinensisGlycine
Maar die krantenberichten meldden een alternatieve soortnaam, die me ook al bij Boom was opgevallen: Glycine. Deze oorspronkelijke soortnaam werd vanaf de vroege 19de eeuw geleidelijk aan vervangen door Wisteria, maar de oude naam bleef nog wel een tijd in gebruik -zoals dat gaat. Springer gebruikte de naam Glycine in 1919 nog in het beplantingsplan van villa De Beemd in Helmond.3

Even los van de populariteitsvraag, begon bij mij de vraag te rijzen wanneer de Wisteria nu eigenlijk voor het eerst in Nederland te zien was geweest.
Die zoektocht leidde verder terug dan ik in eerste instantie voor mogelijk hield.

Dat andere continent
Waar Boom zich richtte op de uit Azië afkomstige soorten (en waarom niet, onze historische banden met meerdere landen op dat continent zijn sterk), zijn er ook soorten Wisteria afkomstig uit Noord-Amerika. Er is hier sprake van andere historische banden, andere aanvoerroutes, maar aan beide voorwaarden wordt ook hier voldaan.
De hierboven weergegeven afbeelding komt uit Curtis’s Botanical magazine4 en is een uit Azië afkomstige struik. Hij wordt in deze beschrijving Glycine Chinensis genoemd (Chinese Glycine), en duidelijk in dezelfde categorie geschaard als een reeds van Linnaeus bekende soort, de Glycine frutescens. Een vrijwel gelijktijdig verschenen Engelstalige bron schrijft over Glycine dat hij knobbed rooted liquorice heet, maar dat G. frutescens ook wel Carolina kidney-bean tree wordt genoemd.5
Miller’s Dictionary uit 1754 noemt hem ook Glycine en ook hier met de Engelse naam knobbed rooted liquorice. In alle gevallen denk je dan in eerste instantie: daar kunnen ze geen Wisteria mee bedoelen. Maar als je de beschrijving uit 1819 leest, is het helder: we hebben het over dezelfde plant.

De Hortus Cliffortianum
Hoe zit dat dan in Nederland? De Nederlandse vertaling van Philip Millers Dictionary, verschenen in 1745, noemt hem niet. In de eerste catalogus van de kweker Jacobus Gans, uit 1771, staat de Glycine echter wel degelijk genoemd.6 Gans verwijst voor de naamgeving in dit geval naar Linnaeus’ standaardwerk, in zijn woorden Species Plantarum, nouvelle Edition.
Maar bij de naam Linnaeus gaan in Nederland de gedachten direct uit naar De Hartekamp in Heemstede, de plantencollectie van George Clifford aldaar, en Linnaeus’ beschrijving van diens plantencollectie en herbarium in de Hortus Cliffortianum (uitgave 1738). En jawel: op pagina 361 staat hij daarin vermeld.

De Viridarium Cliffortianum
Nu is de Hortus Cliffortianum een overzicht van alle planten die in de tuin stonden, aangevuld met planten uit het zeer uitgebreide herbarium van George Clifford. De vraag die dan nog rest is: was er een levend exemplaar aanwezig, of had hij ‘slechts’ een herbarium-exemplaar?
Gelukkig is er de Viridarium Cliffortianum, een in 1737 verschenen en eveneens door Linnaeus opgestelde lijst van plantensoorten die daadwerkelijk in de tuin van Clifford groeiden.7 Ook daar staat hij in, op pagina 72, als Glycine radice tuberosa -daar zijn die ‘knobbelige wortels’ weer.

Tot slot
Dus de Glycine, ofwel blauwe regen, of Wisteria, was in 1737 in ieder geval fysiek in ons land aanwezig. Dan is de vraag: waar had Clifford deze vandaan, want hij ontving planten uit Noord-Amerika én Azië?
Of er daarna sprake is geweest van veelvuldig gebruik, zal uit onderzoek moeten blijken. Op een lijstje dat meer dan 40 jaar later werd opgesteld, bewaard in het archief van Huis te Almelo, staat hij in ieder geval vermeld: als nr 21, niet helemaal correct geschreven als Glicine, en voorzien van de fraaie Nederlandse naam Booneboom van Carolina.8
1779 Glicine Almelo

Detail van de achterzijde van een lijst met plantennamen in de collectie van Huis Almelo, gedateerd ‘1779’ op de voorkant. Op nr. 21 staat: Glicine [frutescens Carolina], Booneboom van Carolina. Photo: HvdE.

Waarschijnlijk kwam de naam blauwe regen pas toen de plant daadwerkelijk populair werd, mogelijk ook in combinatie met die andere populaire plant, de gouden regen. Het welluidende Booneboom van Carolina uit 1779 staat dan model voor (en tegelijkertijd in contrast tot) de tamelijk geruisloze introductie in ons land van wat later ontegenzeggelijk een mondaine plant zou worden.


  1. Dr B.K. Boom, Nederlandse Dendrologie (Wageningen 1982 -12de druk), p290. [back]
  2. De wedstrijden werden uitgeschreven door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot aanmoediging van den Tuinbouw. De hoofdprijs was een zilveren medaille. In 1856 won M.A.F.H. Hoffman. [back]
  3. Constance D.H. Moes, L.A. Springer. Tuinarchitect, dendroloog 1855-1940 (Rotterdam 2002), p290, als Glycine chinensis. [back]
  4. Vol.46 (1817-1818); het gaat om plaat nummer 2083 en de twee pagina’s tekst met beschrijving erachter. De plant zou drie jaar voor verschijning zijn ingevoerd vanuit China, meegekomen op het schip van ene kapitein Welbank -geheel in lijn met wat Boom meldde. Op het moment van publicatie bevond de plant zich op een buiten genaamd Rooksnest Park, bij Godstone in Surrey. De eigenaar was Charles Hampden Turner, de tuinman die de plant in leven probeerde te houden luisterde naar de naam D. McLeod. [back]
  5. George Gregory, A new and complete Dictionary of Arts and Sciences, vol. 2 (Philadelphia 1819), lemma Glycine. [back]
  6. Naar verwachting verschijnt in het volgende nummer van het Cascade bulletin een artikel van mijn hand over deze kweker, zijn kwekerij en catalogi. Daarin betoog ik dat de niet gedateerde catalogus van Gans, tot nu toe alleen bekend uit het archief van Huis te Almelo, uit 1771 moet dateren (eigenlijk uit december 1770, maar die twee weken negeren we maar, aangezien Gans zelf later ook over zijn catalogus van 1771 spreekt). [back]
  7. Op 20 soorten na, zo schrijft hij in zijn voorwoord, want die waren inmiddels overleden… [back]
  8. Historisch Centrum Overijssel, Toegangsnummer 0214, Archief van Huis Almelo, inv.nr. 1519. Waarschijnlijk staat er Glicine frutescens Carolina, maar door de slechte staat waarin dit hele tere briefje verkeert, is dat niet met zekerheid te zeggen. De status van dit lijstje is onduidelijk. Is het een bestellijst, of een wensenlijst? Of is het om een andere reden opgesteld? [back]
Summary

A question about the popularity of the Wisteria in The Netherlands, led me towards a search for the first occurence of that plant in the country. That search sent me back in time further than I expected: to 1737, George Clifford’s garden at De Hartekamp in Heemstede. Linnaeus’ publications about this garden mention the plant, under its original name Glycine.

Older posts »